16-05-2012

van gebrek aan een -e naar een eigenschapsloze







De misdaad



MOOSBRUGGER [moordenaar]:
Dat zou nog eens een idee zijn! Dat iemand zich geroepen voelde om werkelijk na te denken en een boek over mij te schrijven. Denken is een mooi ding. Er zijn tijden geweest waarin ik iets deed wat ik denken noemde. Misschien dat er ook andere en juistere woorden voor bestaan. Maar ik noem het graag denken, hoewel het eerder iets was wat mij overkwam dan wat ik zelf uitvoerde. Als de dokters me vroegen hoeveel veertien plus veertien was, zei ik: zo ongeveer achtentwintig tot veertig. Kijk, dan was het eindelijk eens mijn beurt om te lachen. Natuurlijk weet ik dat je bij achtentwintig uitkomt als je veertien optelt bij veertien. Maar moet je daarom bij achtentwintig stoppen? Wie echt denkt, mag er niet mee ophouden. Die kan er niet eens mee ophouden - tenzij het natuurlijk vanzelf stilvalt. Tenzij je domweg komt vast te zitten. Tenzij je sterft. Die lui denken dat ze iets weten! Ze komen zogezegd tot conclusies! Maar wie niet alles weet, weet niks. Daarom is het ook zo moeilijk om te zeggen wat je denkt. Je denkt altijd te veel, en toch nooit genoeg. Het zou niet makkelijk zijn, een boek schrijven over mij, een boek waarin werkelijk werd nagedacht.


(Yves Petry, uit: De misdaad, theaterbewerking van Musils De man zonder eigenschappen, 2012, 32)




Geen opmerkingen:

Een reactie posten