© Monika Mausolf
hoe je zitvlakzit en kruis
bestuivend k o m m a a r
na de komma roept hoe je [fram
boze kever] eerder
woelend de daad
bij het bijwoord voegt
hoe je klinggejaagd belandt
hoe fragmenten de mondwond
28-02-2011
hoe je
27-02-2011
soulier 67 - geen schoenen voor de -heid-enman
© John Stezaker
zelf worden. na lezen en her-, herlezen (voortdurend syntactisch ontleden, eigenlijk) weet ik nog altijd niet wat van der Waal onder zelf, laat staan onder zelf worden verstaat. de man houdt er een vreemd filosofisch gedachtengoed op na, een verdicht gedachtengoed waarin het bulkt van de -heid-en, zoals in verdichtsel, bijvoorbeeld, 26:
bijna niemand laat je toeven in de alleenheid
van je oorsprong, bijna niemand zet je aan
te wijlen in je waarheid, want alles en iedereen
lokt de openbaarheid in je uit, prest je tot
de extrapolatie van je drift, verlangt dat
je je uitput in optimale communicatie,
waardoor je afgesneden raakt van de frêle
verwatenheid die jou als een gecapitonneerd
verdichtsel
zwevend houdt in de vaalte van het schijnsel
dat de weemoed als een borduursel op je
netvlies stikt en je misluktheid, waar de tijd
als klare taal vanaf druipt, samendrukt tot
een vrijwel zwijgende roerloosheid die een
gat in je wording slaat en je moedigt je te laten
in wat je bent zonder ook maar enige vaste
vorm voor je huidigheid aanvaard te hebben
ondanks enkele (het moet gezegd) mooie beelden en klankkasttenen deemstert zelf worden tussen abstrahering, een resem dure woorden en honing - al te zoete honing: ".. maar vrienden / zijn nu eenmaal vrienden als ze zich in elkaar / durven te ontnemen en zich in de afgrond durven te / begeven die gaapt tussen het joviale schudden / van handen en het voorzichtig kussen van elkaar", vriendschap, 19. asjeblief!
zeker, in van der Waals half-filosofische tractaten (in dichtvorm) ontbreken de betekenaars brood, schoen en vijgenblad volledig. één paar voeten, ja, én een stippeltjesjurk - wat toch enige verrukking ontlokt in deze loden materie van suikerspin. zelf, 22
vermei je in je gelaatstreek, rust
in het schutsel van je weefsels
verstrik je voeten in het rulle zand
van je verblijf, waarin je zou zeggen
'stippeltjesjurk', weet je nog, waarin
je zou zeggen 'boemerang', weet
je nog, waarin je zou zeggen
zelf
weet je nog, immers daarin je vestiging,
je grondige tenietdoening, je geloof in de
absoluutheid van je verdwazing, die brand
sloeg in je haar en de druiventrossen
onder je schedeldak plette tot wijn
waardoor de eigengereidheid van
je toestand definitief verorakelde
als tegenpool voor al die -heid-en verschijnt (zo lijkt het) een fruitkorf vol frambozen, 30, gesuikerde aardbeien, 34, druiventrossen, 22, een granaatappel die uiteen spat, 43 en te zijn: aalbes in haar room, 43, een aalbes die ik u onder geen beding wil onthouden, verstuift, 43
die daar tijd als opalen bollen door de lucht
laat zweven en spetters van geparfumeerde
melancholie over je huid heen legt om de
robuuste binnenkamer van je gemoed
open te breken en de volte van je wezen als
een granaatappel uiteen te laten spatten in
de trouw van haar verleiding, die zij net zo lang
verstuift
in het rood van jouw droom tot jij je
liefdesalfabet als confetti over haar eieren
strooit en je je overgeeft aan de paringsrite die
woedt in je vruchtbeginsel en jou opstuwt
te zijn: scherf in haar schaal, lach in haar mond,
wolk voor haar zon, aalbes in haar room,
gram in haar lust, knipperlicht in haar bron
(Henk van der Waal, Zelf worden, 2010)
26-02-2011
soulier 66 - "het voornaamste was dat men het brood recht sneed"
© Franz Kafka
een brief ga je niet te lijf, daar blijf je af. vooral als het een brief aan vader is - geadresseerd verdraagt immers geen lezing aan de hand van betekenaars.
het ontbreekt dan ook in Kafka's brief aan vader aan de betekenaar vijgenblad, hoewel het epistel bulkt van schande, schuld en schaamte. dat heet, zowel vader Hermann als Franz zijn, volgens Franz, schuldig o zó schuldig en onschuldig tegelijk. Hermann, de onschuldige tiran versus Franz, de onschuldige maar koppige duvel. nee, een brief ga je niet te lijf, maar de betekenaar brood laat toch maar mooi zien hoe we hermanns onschuld kunnen begrijpen.
"Wat op tafel kwam moest gegeten worden, over de kwaliteit van het voedsel mocht niet gesproken worden - maar u vond het eten vaak ongenietbaar, noemde het 'vreten'; dat 'beest' (de keukenmeid) had het verknoeid. Daar u met uw geweldige eetlust en uw bijzondere voorkeur alles snel, heet en met grote happen had gegeten, moest het kind zich haasten, er heerste een sombere stilte onder het eten, onderbroken door vermaningen 'eerst eten, dan praten' of 'vlugger, vlugger, vlugger' of 'zie je wel, ik ben al lang klaar'. Botten mocht men niet stukbijten, u wel. Azijn mocht men niet slurpen, u wel. Het voornaamste was dat men het brood recht sneed; maar dat u het met een mes, druipend van jus, deed, kwam er niet op aan. Men moest er op letten dat er geen etensresten op de grond vielen, bij u lag ten slotte het meeste. Aan tafel mocht men zich alleen met eten bezighouden, maar u reinigde en sneed uw nagels, sleep potloden, maakte met de tandestoker uw oren schoon. Begrijp mij alstublieft goed, vader, dat waren op zichzelf absoluut onbeduidende kleinigheden geweest, ze werden voor mij pas daardoor beklemmend omdat u, de voor mij zozeer de toon aangevende mens, uzelf niet aan de geboden hield die u mij oplegde" (13)
dat de moed Franz vaak in de schoenen, de loden schoenen zonk, schrijft hij niet. Hermanns zoon had überhaupt geen schoeisel van doen om vader duidelijk te maken hoe hij hun verstandhouding ervaarde - een wereldkaart volstond.
"Soms stel ik mij de wereldkaart vlak uitgespreid voor en u er dwars overheen uitgestrekt. En dan krijg ik het gevoel alsof voor mijn leven alleen die streken in aanmerking zouden komen die u óf niet bedekt óf die buiten uw bereik liggen. En dat zijn in overeenstemming met de voorstelling die ik van uw grootte heb niet veel of geen bijzonder aanlokkelijke streken" (48)
- aanlokkelijke streken, Brief aan moeder heeft Franz (voor zover bekend) nooit geschreven, hoewel ze u i t e r a a r d rechtdraadmadeliefjes in Brief aan vader verschijnt.
(Franz Kafka, Brief an den Vater / Brief aan zijn vader, vertaling Nini Brunt, 1976 [1969])
25-02-2011
24-02-2011
au fond
23-02-2011
22-02-2011
21-02-2011
20-02-2011
descarga de vapor
19-02-2011
je ruik-t
© Janaina Tschäpe
je ruik-t
naar koude flamingo. of verder.
naar zeepdraad
naar walskamerzeepdraad: dij-
benen benen. in staat
van ontkleding zie je beschreven huid over dijbeenbeen
maar deze benen benen bekleed. je
ruik-t naar duodenum-
modus. modus dus: dij-
benen benen bij. de tong
beklimboomt de boom [een knotwilg] niet. de tong
tongwapperdraadt van boom tot boom waarin zich ontlastende vogels.
je ruik-t en ziet [in
staat van ontlasting]
geen hemelvaart benen -
18-02-2011
16-02-2011
schoot vol epitheta
15-02-2011
het voordier het
13-02-2011
12-02-2011
11-02-2011
op schaal
© Armando
en zowaar: tam
tam en pam-
f l e t t e n
op schaalmodel:
'hang-t
bronst van de tong te drogen op
de rand'
'van het aquarium?'
'gooit vas-t
beraden het schaam van
de bokken
o m h o o g'
'hoor-t
hoe plooibaar -baar op scherp gezet'
'past het werkelijk?'
'als gegoten'
'verlich-t
het on
geduldig on
gedierte'
'zie-t
de schuimkop in
staat van ontbinding
- om zeep om zeep'
'spreek-t
gij blozende nacht gij kleine en grote peer'
'beer?'
'peer!'
zowaar [op schaal] de haas
die
met één plooibaar
oor het vuur benoemt
[de negende strofe is leeg]
mot d'option
10-02-2011
09-02-2011
Soulier 65 - 'vrouwen hebben de dood in de schoot, mannen in de borst'
Je gewapend met schoen, brood en vijgenblad door Malte's Aantekeningen banen, geeft merkwaardig genoeg een samenvatting van Malte's problematiek. Malte, een naam die niet toevallig 'mal' omvat, is een levende dode, die zich nu eens identificeert met een heilige, koning of eenhoorn, dan weer samenvalt met niets, afval. Malte is een kwestie van alles of niets.
Ook de betekenaar schoen levert dit beeld op. "Scharlaken laarzen [van Karel de Stoute] .. met grote vergulde sporen", 110 en "diamanten gespen aan de schoenen [van Saint-Germain]", 87. Alles dus, óf afval, de armzaligste, niets. "De straat was te leeg, zijn leegte verveelde zich en trok mijn stappen onder mijn voeten vandaan en klepperde ermee rond, hier en ginder, als met een klomp", 9. "Ze [de uitgestotenen] zitten op de fluwelen banken, en hun voeten staan als grote lege laarzen naast elkaar op de roosters van de verwarmingen", 29. "En zie nu eens, wat een lot, ik, misschien wel de armzaligste van deze levende mensen, een buitenstaander: ik ben een dichter. Hoewel ik arm ben. Hoewel mijn pak, dat ik elke dag draag, een bepaald soort plekken begint te krijgen, hoewel op mijn schoenen wel het een of ander aan te merken zou zijn", 25.
De betekenaar brood wijst enerzijds op iets zorgeloos - een zeldzaamheid in Malte's Aantekeningen. "Hier en daar een pachterswoning of een boerderij, waar ik melk en brood en fruit kon krijgen, en ik geloof, dat ik zorgeloos van mijn vrijheid genoot", 21. "Ik zit hier en ben niets. En toch, dit niets begint te denken en denkt, vijfhoog, op een grijze Parijse namiddag de volgende gedachte: is het mogelijk, denk het, dat men nog niets werkelijks, niets van enig gewicht heeft gezien, onderkend en gezegd? Is het mogelijk, dat men duizenden jaren de tijd heeft gehad om te kijken, na te denken en aantekeningen te maken, en dat men die duizenden jaren voorbij heeft laten gaan als een pauze op school, waarin men zijn boterham eet en een appel? Ja, het is mogelijk", 17
Naast dit acht- en zorgeloze zit de betekenaar brood ook in de context van Malte's haast goddelijke verering van vrouwen, wat herleid mag worden tot de symbiose met de moeder (Malte's wanende moeder), en de hem herhaaldelijk overspoelende angst. Een [een] man "grijpt in de schuine zak van de oude overjas" en biedt de vogels "een onaanzienlijk stukje suikerbrood" aan, 47. Vrouwen daarentegen "hebben opeens een massa brood in hun handtas en steken grote stukken uit hun dunnen mantilla, stukken waarop een beetje gekauwd is, zodat ze wat vochtig zijn. Dat doet ze goed, dat hun speeksel wat in de wereld komt, dat de kleine vogels met deze bijsmaak rondvliegen, al vergeten ze het natuurlijk ook meteen weer", 48. "Voedsel in vaste vorm nam ze [Malte's moeder] niet meer tot zich, of het moest zijn wat beschuit of brood, dat ze, als ze alleen was, fijn maakte en kruimel voor kruimel opat, zoals kinderen kruimels eten. Haar angst voor naalden had haar toen al geheel in zijn macht", 50. "Wat een massa naalden zijn er toch, Malte, en waar liggen ze al niet, en als men bedenkt, hoe gemakkelijk ze er uit vallen .. ze rilde van ontzetting bij de gedachte aan alle niet goed vastzittende naalden, die ieder ogenblik ergens in konden vallen", 51. "Alle weggeraakte angsten [van Malte] zijn er weer. De angst dat een draadje wol, dat uit de rand van de deken steekt, hard is, hard en scherp als een stalen naald; de angst dat dit knoopje van mijn nachthemd groter is dan mijn hoofd, groot en zwaar; de angst dat dit kruimeltje brood, dat nu van mijn bed valt, als glas en in splinters beneden zal aankomen, en de kwellende bezorgdheid dat daarmee eigenlijk álles gebroken is, alles voor altijd", 39
Malte, een levende dode, die gedoemd is te blijven leven hoewel hij reeds gestorven is en niet eens kan sterven, "had je niet honderdmaal moeten beloven dat je niet zou sterven? Misschien was het de eigenzinnigheid van deze vreselijke herinnering, die van terugkeer tot terugkeer een plaats voor zichzelf wilde reserveren, wat zijn [Malte's] leven te midden van het afval rekte", 141, deze Malte heeft geen vijgenblad van doen, hoewel hij zich een enkele keer schaamt. "Ik schaam me ervoor, op te schrijven dat ik vaak in zijn nabijheid [de nabijheid van een armtierige krantenverkoper] met de anderen in de pas ging lopen, alsof ik geen weet had van zijn bestaan", 116. In plaats van schaamte wordt in Malte's Aantekeningen plaats geruimd voor de ander als belager, de bedreigende ander (wat eveneens te herleiden is tot de moeder). "Ze nemen hem [de jonge Malte] bij de handen, ze trekken hem naar de tafel, en al degenen die zich daar bevinden rekken zich nieuwsgierig uit tot vóór de lamp. Zij hebben het goed, ze zorgen ervoor donker te blijven, en op hem alleen valt, mét het licht, de hele schande een gezicht te hebben [lees: te leven]", 140. "Wie zijn deze mensen? Wat willen ze van mij? Wachten ze op mij?", 26. Malte is immers in zijn belevingswereld de schuldige. "[Mijn hond], die me eens en voor altijd beschuldigde. Hij was heel ziek. Ik knielde al de hele dag bij hem neer, toen plotseling begon hij te blaffen, stootsgewijs en kort, zoals hij dat gewend was te doen als er een onbekende de kamer binnenkwam. Een dergelijk geblaf was tussen ons voor die gevallen als het ware afgesproken, en ik keek onwillekeurig naar de deur. Maar het was al ín hem. Verontrust zocht ik zijn blik, en ook zocht hij de mijne; maar niet om afscheid te nemen. Hij keek me hard en bevreemd aan. Hij verweet me dat ik het had binnengelaten. Hij was ervan overtuigd dat ik het had kunnen verhinderen. Nu bleek dat hij me altijd had overschat. Er was geen tijd meer om hem in te lichten. Hij keek me bevreemd en eenzaam aan tot het was afgelopen", 93.
De hond heeft een speciaal statuut in Malte's verlangen. "En áls er dan al iets moet veranderen, dan zou ik toch tenminste te midden van de honden willen leven, die een met de onze verwante wereld hebben en dezelfde dingen", 33. Twintig bladzijden verder blijkt waarom: een hond weet wanneer een dode levend is. Lees: een hond weet tenminste dat Malte een levende dode is.
(Rainer Maria Rilke, Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge / De aantekeningen van Malte Laurids Brigge, vertaald door Pim Lukkenaer, (1981 [1910])
die wiebelvlech-t
07-02-2011
Soulier 64 - "in de kelders groeien de schoenen"
© Armando, vogel
"Ook het grootste oog het houten hoofd heeft ooit / de hoge poten opgestoken", 56. ook het grootste oog. en geen schoenen aan die poten. de man Armando heeft in Gedichten 2009 - waarin wel 100 gedichten - niets met schoenen. hij wijst er wél op "hoe boos de voeten zijn", 80. eenmaal groeien schoenen. in kelders. Puin, 70
Ik hoor alweer de toeloop,
de menigte toont ontzag,
het avondeten is bedolven onder
puin.
In de kelders groeien de schoenen,
daaronder komt een pleisterplaats,
en hiervandaan wordt voorlopig geschoten.
Neem kleding mee en let niet op het klokgelui:
de aanval is in aantocht.
de voeten boos, "er zijn ogen, oren, er is beklemming", 58. de man Armando schoeit noch kleedt. geen vijgenblad, dus, noch schaamte. enkel Plicht is schaars gekleed, 45.
Kroop uit het venster,
waardig,
op mos en vochtige aarde,
schaars gekleed en afgemat:
plicht.
Een zekere loslippigheid aangaande
het bestormen aangaande het haastige
betasten van de vijand:
plicht.
en geen brood, niet één. wel "wimpels [die] elkaars voedsel [zijn], 24, en een galgenmaal, "het galgenmaal wordt opgediend: / eet van buiten naar binnen en / wees niet kwaad", 54. De man Armando weet immers dat het "niet vanzelfsprekend [is] / dat op de tafels de overdaad, dat / op een vindplaats het goud ligt", 77. Integendeel, 31
Ze gooien naar beneden,
sluiten plotseling de deuren,
openen de fornuizen en het
ongedierte baant zich een weg.
Met wellust muizenissen gegeten:
er wordt niet gesproken.
Hoe dan ook,
het voorbeeld van langzaam verorberen
van langzaam klapwieken is voorbij.
Jij?
Is het voedsel al vergaan, is
de tong verslonden?
Integendeel: er wordt niet gesproken.
Armando! zou de man Armando niet zijn als zijn verlangen niet van zilver was, Zilver, 84
Ik wil dat de oren van zilver zijn,
van zilver zijn de bloemen,
de planten duwen de bomen weg,
de bomen zijn van zilver.
De oogopslag wordt zelfs baldadig:
ik wil dat jij van zilver bent.
(Armando, Gedichten 2009, 2009)
04-02-2011
potmans
03-02-2011
maar
02-02-2011
wie der Witz
Abonneren op:
Posts (Atom)


























