© John Stezaker
zelf worden. na lezen en her-, herlezen (voortdurend syntactisch ontleden, eigenlijk) weet ik nog altijd niet wat van der Waal onder zelf, laat staan onder zelf worden verstaat. de man houdt er een vreemd filosofisch gedachtengoed op na, een verdicht gedachtengoed waarin het bulkt van de -heid-en, zoals in verdichtsel, bijvoorbeeld, 26:
bijna niemand laat je toeven in de alleenheid
van je oorsprong, bijna niemand zet je aan
te wijlen in je waarheid, want alles en iedereen
lokt de openbaarheid in je uit, prest je tot
de extrapolatie van je drift, verlangt dat
je je uitput in optimale communicatie,
waardoor je afgesneden raakt van de frêle
verwatenheid die jou als een gecapitonneerd
verdichtsel
zwevend houdt in de vaalte van het schijnsel
dat de weemoed als een borduursel op je
netvlies stikt en je misluktheid, waar de tijd
als klare taal vanaf druipt, samendrukt tot
een vrijwel zwijgende roerloosheid die een
gat in je wording slaat en je moedigt je te laten
in wat je bent zonder ook maar enige vaste
vorm voor je huidigheid aanvaard te hebben
ondanks enkele (het moet gezegd) mooie beelden en klankkasttenen deemstert zelf worden tussen abstrahering, een resem dure woorden en honing - al te zoete honing: ".. maar vrienden / zijn nu eenmaal vrienden als ze zich in elkaar / durven te ontnemen en zich in de afgrond durven te / begeven die gaapt tussen het joviale schudden / van handen en het voorzichtig kussen van elkaar", vriendschap, 19. asjeblief!
zeker, in van der Waals half-filosofische tractaten (in dichtvorm) ontbreken de betekenaars brood, schoen en vijgenblad volledig. één paar voeten, ja, én een stippeltjesjurk - wat toch enige verrukking ontlokt in deze loden materie van suikerspin. zelf, 22
vermei je in je gelaatstreek, rust
in het schutsel van je weefsels
verstrik je voeten in het rulle zand
van je verblijf, waarin je zou zeggen
'stippeltjesjurk', weet je nog, waarin
je zou zeggen 'boemerang', weet
je nog, waarin je zou zeggen
zelf
weet je nog, immers daarin je vestiging,
je grondige tenietdoening, je geloof in de
absoluutheid van je verdwazing, die brand
sloeg in je haar en de druiventrossen
onder je schedeldak plette tot wijn
waardoor de eigengereidheid van
je toestand definitief verorakelde
als tegenpool voor al die -heid-en verschijnt (zo lijkt het) een fruitkorf vol frambozen, 30, gesuikerde aardbeien, 34, druiventrossen, 22, een granaatappel die uiteen spat, 43 en te zijn: aalbes in haar room, 43, een aalbes die ik u onder geen beding wil onthouden, verstuift, 43
die daar tijd als opalen bollen door de lucht
laat zweven en spetters van geparfumeerde
melancholie over je huid heen legt om de
robuuste binnenkamer van je gemoed
open te breken en de volte van je wezen als
een granaatappel uiteen te laten spatten in
de trouw van haar verleiding, die zij net zo lang
verstuift
in het rood van jouw droom tot jij je
liefdesalfabet als confetti over haar eieren
strooit en je je overgeeft aan de paringsrite die
woedt in je vruchtbeginsel en jou opstuwt
te zijn: scherf in haar schaal, lach in haar mond,
wolk voor haar zon, aalbes in haar room,
gram in haar lust, knipperlicht in haar bron
(Henk van der Waal, Zelf worden, 2010)

