in de diverse besprekingen van Brassinga's bundel 'ONTIJ ontij' lees ik onuitgesproken [uit beleefdheid of vanwege de haar reeds eerder toegekende prijzen, misschien, of ons kent ons?] verwarring. men weet het niet goed. Brassinga's pen is dan ook flip.flop en eigen.zinnig, en eigen.zinnig zaait nu eenmaal verwarring.
op het voorplat van 'ONTIJ ontij': Rousseau's Navire dans la tempête, een woelzeeschip met twee [twee] vlaggen, maar. het achterplat lijkt nog interessanter. op het achterplat kijkt Brassinga, getooid met hoed, de lezer prangend aan, alsof ze zegt: en nu jij. wel, dit is poëzie van klassieke allure, meldt de Volkskrant onder die prangende blik. klassieke allure? wat is dat? dit: kluizenaars zijn schoften? (35) nee toch?
Kluizenaars zijn schoften,
trek alle laden uit
tot liefzang is geturfd.
Speel, hoe leven klapwiekt en zal breken:
kraaimoeder, moeder van zweepdragers,
als cactusplanten zijn haar heupen,
de dampen hanglip euvel ingejaagd -
kijk oud kavalje lekt zich af.
Kluizenaars zijn luizen,
pas op, de heiland bijt!
Muziekend, hoogzwanger van hongerwee
de neuriënde hoedster van wijn en brood,
bron van ijspegels en salpeter.
Gevilde slangen kruipen uit het vocht.
voor zover ik de draagwijdte van klassiek juist inschat, weet ook de Volkskrant het precies niet [zo] goed. zeker als je Brassinga's omschrijving van geluk leest (26)
".. Geluk is een met zorg doodgeslagen vaars,
gistend karkas op een veilige plaats, vol
tierige bijen. Het zoet stroomt in de mond .."
in de mond, ja, maar vermits Brassinga op the crowning point of her body een grote zwarte [mannen-]hoed plaatst, mag het mij [dat mag u niet verwonderen] benieuwen wat een lezing van 'ONTIJ ontij' aan de hand van de betekenaar hoofddeksel geeft. blijkt: niet veel, eigenlijk. naast de hoed in Brassinga's vertaling van Bachmanns Verklaar mij, liefde: "Je hoed licht zich zacht, groet, zweeft in de wind, / je onbedekte hoofd, de wolken zijn er weg van, / je hart is elders in de weer ..", 60, vloeit er in dit bundel slechts één hoofddeksel uit Brassinga's pen, 9
Wandelend bij nacht onder de bomen
vanaf de oever liepen tot het water
aan de lippen stond en onze hoeden
op het maanlicht dreven hand in hand
wij door - had hartstocht iets bereikt
je kuste er nog beter dan aan land.
Brassinga's drijvende en Bachmanns onthoofde hoed - in schril contrast met de bezonnen hoedvastheid op het achterplat. net als de verschillende stijlen in het bundel te begrijpen als flip.flop? flip.flop sluit alleszins mooi aan bij Brassinga's omschrijving van poëzie (34)
".. Poëzie scheert langs alles
omdat het enkel het betasten kent
tijdens een val in het duister van haaienschubben en kreeftenscharen."
(Anneke Brassinga, Ontij, 2010)
Addendum: net nu ik beslis een lezing aan de hand van de betekenaars schoen, brood en vijgenblad overboord te gooien, verschijnt (Brassinga kent haar klassiekers) een vijgenblad, "Glimpt haar eerzaam eenzaam lampje / onder de wollen rokken van de nacht - ..", 20,
een brood of drie, ".. Centraal straalt oplossing: lichte disfunctie / bij omfloerste begaanheid is stadsharts brood.", 51, ".. Vooruitscharrelen / is wat men moet zoeken te doen nu, nu / afgrond tot de afgrond roept: breek // waar daverend water stort, eet tranen / voor brood, reik als het hert naar de stroom ..", 27, ".. Muziekend, hoogzwanger van hongerwee / de neuriënde hoedster van wijn en brood ..", 35
schoeisel, ".. ook dan bloedt 't / in schoenen zinkend hart, want wie kan doen // wijken het gescheidene? ..", 26, ".. Straks moet je aanrijgen je schoen / en de honden terugjagen naar de marshoeves .. Rijg je schoen aan. / Jaag de honden terug ..", 59 (vertaling van Bachmanns De uitgestelde tijd), "Een bundel zon zwelt tussen rijen tanden / en rijgt zich dicht met veters / die schaduwen werpen op verre woestijnen ..", 34
en schoeisel via omissie, ".. In zondagse zonschijn raapt mens blootsvoets / met regenpak aan, huif over hoofd, alle, alle / duizenden afgevallen paardekastanjebloesems / van de stoep en werpt ze over 't parkhek stil ..", 49, ".. hoe wespen aan mijn naakte zolen zochten / het zoet en het zout ..", 54
net nu ik beslis
Posts tonen met het label vijgenblad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vijgenblad. Alle posts tonen
21-03-2011
the crowning point of the body (of de crowning hoed van Brassinga)
03-03-2011
soulier 68 - als de schoenen smelten moeten we terug
© Elise van Iterson
in Hersenmutor, een verzameling van Oosterhoffs dichtbundels Boerentijger, 1990, De ingeland, 1993, (Robuuste tongwerken) een stralend plenum, 1997, Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen, 2002, wordt niet expliciet iets voor de schaamstreek gehouden (integendeel) en nog minder gegeten, wat resulteert in slechts één brood - wat dat ene brood "[..] De wereld ruikt naar koud brood [..]" (Nu. Of nooit, 165) uiter aard speciaal maakt. daarnaast is Tonnus [met lege maag weliswaar] wel schoen-, zool-, pantoffel- en laars- aards -geaard:
"Alles heb ik geregeld: de valse naam
en het hotel waar niemand ons zou zoeken.
Zijn spierkracht, dat hij klein was, niet veel sprak,
zijn gladde bruine zolen heb ik zelf bedacht [..]"
(Geheim agent, 45)
"[..] Het grillig gevormde oppervlak
- pas op voor blauwig gas -
- als de schoenen smelten moeten we terug -
is de korst van respect en wantrouwen [..]"
(Het stadje is omringd, 65)
"[..] Zo dan slaap ook jij koningin van mijn hart
de tenen uit mijn pantoffels
Ik hou van je zoals er altijd iets rechts is van wat er links van is
zo hou ik
(ik op mijn tenen weg
komt mijn schrijfhand tussen de schuifdeur)"
(Slaap vergelijking liedje, 161)
"Uit je countrylaarzen altijd die raderschipgeur.
Ik wil je vergaan. Ik roep inktwolken aan.
Uit de gele savannen breken zijstromen baan.
Ik sleep bruggen en boomstammen tot waar je scheurt [..]"
(Uit je countrylaarzen, 43)
"[..] Op van binnen intens vuile laarzen klabberen wij heen,
voelend bestaan. De eenvoud, de herhaling, het de tel kwijt.
Onderin de wasmand vangt een sok te zingen aan."
(Nemen we het meterhoge boompje, 125)
"zochten hem op
omdat lang niets vernomen hadden, zorgen maakten.
De bel weigerde dienst, liepen om, keken door het bijkeukenraam.
Hij was er niet; hij zat naast de schoffel, de laarzen,
hij had de handen om de knieën.'
toen hij doorhad wuifde hij.
'Doe open.' 'Nee, nee.' 'Toe, laat binnen. (Je ziet er goed uit.)'
Hij kwam overeind; wat (was hij) vermagerd.
Hij zocht de sleutel, kon die niet vinden, wees: voordeur.
Verdween door de binnendeur.
Buitenlangs, elkaar aanziend."
(zochten hem op, 107)
"[..] Dat haas al haar jongen levenslang in draagt,
ze slechts in de overvloedigste lentes laat lopen
is een legende. Daar is trouwens de zebra
waarop haan in het magere veld van zijn laarzen
al zijn zienswijzen met de wind mee verkondigt.
haan is al, haas is pas, maar des te gezwinder [..]"
(Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen, 181)
(Tonnus Oosterhoff, Hersenmutor, gedichten 1999-2005, 2005)
27-02-2011
soulier 67 - geen schoenen voor de -heid-enman
© John Stezaker
zelf worden. na lezen en her-, herlezen (voortdurend syntactisch ontleden, eigenlijk) weet ik nog altijd niet wat van der Waal onder zelf, laat staan onder zelf worden verstaat. de man houdt er een vreemd filosofisch gedachtengoed op na, een verdicht gedachtengoed waarin het bulkt van de -heid-en, zoals in verdichtsel, bijvoorbeeld, 26:
bijna niemand laat je toeven in de alleenheid
van je oorsprong, bijna niemand zet je aan
te wijlen in je waarheid, want alles en iedereen
lokt de openbaarheid in je uit, prest je tot
de extrapolatie van je drift, verlangt dat
je je uitput in optimale communicatie,
waardoor je afgesneden raakt van de frêle
verwatenheid die jou als een gecapitonneerd
verdichtsel
zwevend houdt in de vaalte van het schijnsel
dat de weemoed als een borduursel op je
netvlies stikt en je misluktheid, waar de tijd
als klare taal vanaf druipt, samendrukt tot
een vrijwel zwijgende roerloosheid die een
gat in je wording slaat en je moedigt je te laten
in wat je bent zonder ook maar enige vaste
vorm voor je huidigheid aanvaard te hebben
ondanks enkele (het moet gezegd) mooie beelden en klankkasttenen deemstert zelf worden tussen abstrahering, een resem dure woorden en honing - al te zoete honing: ".. maar vrienden / zijn nu eenmaal vrienden als ze zich in elkaar / durven te ontnemen en zich in de afgrond durven te / begeven die gaapt tussen het joviale schudden / van handen en het voorzichtig kussen van elkaar", vriendschap, 19. asjeblief!
zeker, in van der Waals half-filosofische tractaten (in dichtvorm) ontbreken de betekenaars brood, schoen en vijgenblad volledig. één paar voeten, ja, én een stippeltjesjurk - wat toch enige verrukking ontlokt in deze loden materie van suikerspin. zelf, 22
vermei je in je gelaatstreek, rust
in het schutsel van je weefsels
verstrik je voeten in het rulle zand
van je verblijf, waarin je zou zeggen
'stippeltjesjurk', weet je nog, waarin
je zou zeggen 'boemerang', weet
je nog, waarin je zou zeggen
zelf
weet je nog, immers daarin je vestiging,
je grondige tenietdoening, je geloof in de
absoluutheid van je verdwazing, die brand
sloeg in je haar en de druiventrossen
onder je schedeldak plette tot wijn
waardoor de eigengereidheid van
je toestand definitief verorakelde
als tegenpool voor al die -heid-en verschijnt (zo lijkt het) een fruitkorf vol frambozen, 30, gesuikerde aardbeien, 34, druiventrossen, 22, een granaatappel die uiteen spat, 43 en te zijn: aalbes in haar room, 43, een aalbes die ik u onder geen beding wil onthouden, verstuift, 43
die daar tijd als opalen bollen door de lucht
laat zweven en spetters van geparfumeerde
melancholie over je huid heen legt om de
robuuste binnenkamer van je gemoed
open te breken en de volte van je wezen als
een granaatappel uiteen te laten spatten in
de trouw van haar verleiding, die zij net zo lang
verstuift
in het rood van jouw droom tot jij je
liefdesalfabet als confetti over haar eieren
strooit en je je overgeeft aan de paringsrite die
woedt in je vruchtbeginsel en jou opstuwt
te zijn: scherf in haar schaal, lach in haar mond,
wolk voor haar zon, aalbes in haar room,
gram in haar lust, knipperlicht in haar bron
(Henk van der Waal, Zelf worden, 2010)
26-02-2011
soulier 66 - "het voornaamste was dat men het brood recht sneed"
© Franz Kafka
een brief ga je niet te lijf, daar blijf je af. vooral als het een brief aan vader is - geadresseerd verdraagt immers geen lezing aan de hand van betekenaars.
het ontbreekt dan ook in Kafka's brief aan vader aan de betekenaar vijgenblad, hoewel het epistel bulkt van schande, schuld en schaamte. dat heet, zowel vader Hermann als Franz zijn, volgens Franz, schuldig o zó schuldig en onschuldig tegelijk. Hermann, de onschuldige tiran versus Franz, de onschuldige maar koppige duvel. nee, een brief ga je niet te lijf, maar de betekenaar brood laat toch maar mooi zien hoe we hermanns onschuld kunnen begrijpen.
"Wat op tafel kwam moest gegeten worden, over de kwaliteit van het voedsel mocht niet gesproken worden - maar u vond het eten vaak ongenietbaar, noemde het 'vreten'; dat 'beest' (de keukenmeid) had het verknoeid. Daar u met uw geweldige eetlust en uw bijzondere voorkeur alles snel, heet en met grote happen had gegeten, moest het kind zich haasten, er heerste een sombere stilte onder het eten, onderbroken door vermaningen 'eerst eten, dan praten' of 'vlugger, vlugger, vlugger' of 'zie je wel, ik ben al lang klaar'. Botten mocht men niet stukbijten, u wel. Azijn mocht men niet slurpen, u wel. Het voornaamste was dat men het brood recht sneed; maar dat u het met een mes, druipend van jus, deed, kwam er niet op aan. Men moest er op letten dat er geen etensresten op de grond vielen, bij u lag ten slotte het meeste. Aan tafel mocht men zich alleen met eten bezighouden, maar u reinigde en sneed uw nagels, sleep potloden, maakte met de tandestoker uw oren schoon. Begrijp mij alstublieft goed, vader, dat waren op zichzelf absoluut onbeduidende kleinigheden geweest, ze werden voor mij pas daardoor beklemmend omdat u, de voor mij zozeer de toon aangevende mens, uzelf niet aan de geboden hield die u mij oplegde" (13)
dat de moed Franz vaak in de schoenen, de loden schoenen zonk, schrijft hij niet. Hermanns zoon had überhaupt geen schoeisel van doen om vader duidelijk te maken hoe hij hun verstandhouding ervaarde - een wereldkaart volstond.
"Soms stel ik mij de wereldkaart vlak uitgespreid voor en u er dwars overheen uitgestrekt. En dan krijg ik het gevoel alsof voor mijn leven alleen die streken in aanmerking zouden komen die u óf niet bedekt óf die buiten uw bereik liggen. En dat zijn in overeenstemming met de voorstelling die ik van uw grootte heb niet veel of geen bijzonder aanlokkelijke streken" (48)
- aanlokkelijke streken, Brief aan moeder heeft Franz (voor zover bekend) nooit geschreven, hoewel ze u i t e r a a r d rechtdraadmadeliefjes in Brief aan vader verschijnt.
(Franz Kafka, Brief an den Vater / Brief aan zijn vader, vertaling Nini Brunt, 1976 [1969])
09-02-2011
Soulier 65 - 'vrouwen hebben de dood in de schoot, mannen in de borst'
Je gewapend met schoen, brood en vijgenblad door Malte's Aantekeningen banen, geeft merkwaardig genoeg een samenvatting van Malte's problematiek. Malte, een naam die niet toevallig 'mal' omvat, is een levende dode, die zich nu eens identificeert met een heilige, koning of eenhoorn, dan weer samenvalt met niets, afval. Malte is een kwestie van alles of niets.
Ook de betekenaar schoen levert dit beeld op. "Scharlaken laarzen [van Karel de Stoute] .. met grote vergulde sporen", 110 en "diamanten gespen aan de schoenen [van Saint-Germain]", 87. Alles dus, óf afval, de armzaligste, niets. "De straat was te leeg, zijn leegte verveelde zich en trok mijn stappen onder mijn voeten vandaan en klepperde ermee rond, hier en ginder, als met een klomp", 9. "Ze [de uitgestotenen] zitten op de fluwelen banken, en hun voeten staan als grote lege laarzen naast elkaar op de roosters van de verwarmingen", 29. "En zie nu eens, wat een lot, ik, misschien wel de armzaligste van deze levende mensen, een buitenstaander: ik ben een dichter. Hoewel ik arm ben. Hoewel mijn pak, dat ik elke dag draag, een bepaald soort plekken begint te krijgen, hoewel op mijn schoenen wel het een of ander aan te merken zou zijn", 25.
De betekenaar brood wijst enerzijds op iets zorgeloos - een zeldzaamheid in Malte's Aantekeningen. "Hier en daar een pachterswoning of een boerderij, waar ik melk en brood en fruit kon krijgen, en ik geloof, dat ik zorgeloos van mijn vrijheid genoot", 21. "Ik zit hier en ben niets. En toch, dit niets begint te denken en denkt, vijfhoog, op een grijze Parijse namiddag de volgende gedachte: is het mogelijk, denk het, dat men nog niets werkelijks, niets van enig gewicht heeft gezien, onderkend en gezegd? Is het mogelijk, dat men duizenden jaren de tijd heeft gehad om te kijken, na te denken en aantekeningen te maken, en dat men die duizenden jaren voorbij heeft laten gaan als een pauze op school, waarin men zijn boterham eet en een appel? Ja, het is mogelijk", 17
Naast dit acht- en zorgeloze zit de betekenaar brood ook in de context van Malte's haast goddelijke verering van vrouwen, wat herleid mag worden tot de symbiose met de moeder (Malte's wanende moeder), en de hem herhaaldelijk overspoelende angst. Een [een] man "grijpt in de schuine zak van de oude overjas" en biedt de vogels "een onaanzienlijk stukje suikerbrood" aan, 47. Vrouwen daarentegen "hebben opeens een massa brood in hun handtas en steken grote stukken uit hun dunnen mantilla, stukken waarop een beetje gekauwd is, zodat ze wat vochtig zijn. Dat doet ze goed, dat hun speeksel wat in de wereld komt, dat de kleine vogels met deze bijsmaak rondvliegen, al vergeten ze het natuurlijk ook meteen weer", 48. "Voedsel in vaste vorm nam ze [Malte's moeder] niet meer tot zich, of het moest zijn wat beschuit of brood, dat ze, als ze alleen was, fijn maakte en kruimel voor kruimel opat, zoals kinderen kruimels eten. Haar angst voor naalden had haar toen al geheel in zijn macht", 50. "Wat een massa naalden zijn er toch, Malte, en waar liggen ze al niet, en als men bedenkt, hoe gemakkelijk ze er uit vallen .. ze rilde van ontzetting bij de gedachte aan alle niet goed vastzittende naalden, die ieder ogenblik ergens in konden vallen", 51. "Alle weggeraakte angsten [van Malte] zijn er weer. De angst dat een draadje wol, dat uit de rand van de deken steekt, hard is, hard en scherp als een stalen naald; de angst dat dit knoopje van mijn nachthemd groter is dan mijn hoofd, groot en zwaar; de angst dat dit kruimeltje brood, dat nu van mijn bed valt, als glas en in splinters beneden zal aankomen, en de kwellende bezorgdheid dat daarmee eigenlijk álles gebroken is, alles voor altijd", 39
Malte, een levende dode, die gedoemd is te blijven leven hoewel hij reeds gestorven is en niet eens kan sterven, "had je niet honderdmaal moeten beloven dat je niet zou sterven? Misschien was het de eigenzinnigheid van deze vreselijke herinnering, die van terugkeer tot terugkeer een plaats voor zichzelf wilde reserveren, wat zijn [Malte's] leven te midden van het afval rekte", 141, deze Malte heeft geen vijgenblad van doen, hoewel hij zich een enkele keer schaamt. "Ik schaam me ervoor, op te schrijven dat ik vaak in zijn nabijheid [de nabijheid van een armtierige krantenverkoper] met de anderen in de pas ging lopen, alsof ik geen weet had van zijn bestaan", 116. In plaats van schaamte wordt in Malte's Aantekeningen plaats geruimd voor de ander als belager, de bedreigende ander (wat eveneens te herleiden is tot de moeder). "Ze nemen hem [de jonge Malte] bij de handen, ze trekken hem naar de tafel, en al degenen die zich daar bevinden rekken zich nieuwsgierig uit tot vóór de lamp. Zij hebben het goed, ze zorgen ervoor donker te blijven, en op hem alleen valt, mét het licht, de hele schande een gezicht te hebben [lees: te leven]", 140. "Wie zijn deze mensen? Wat willen ze van mij? Wachten ze op mij?", 26. Malte is immers in zijn belevingswereld de schuldige. "[Mijn hond], die me eens en voor altijd beschuldigde. Hij was heel ziek. Ik knielde al de hele dag bij hem neer, toen plotseling begon hij te blaffen, stootsgewijs en kort, zoals hij dat gewend was te doen als er een onbekende de kamer binnenkwam. Een dergelijk geblaf was tussen ons voor die gevallen als het ware afgesproken, en ik keek onwillekeurig naar de deur. Maar het was al ín hem. Verontrust zocht ik zijn blik, en ook zocht hij de mijne; maar niet om afscheid te nemen. Hij keek me hard en bevreemd aan. Hij verweet me dat ik het had binnengelaten. Hij was ervan overtuigd dat ik het had kunnen verhinderen. Nu bleek dat hij me altijd had overschat. Er was geen tijd meer om hem in te lichten. Hij keek me bevreemd en eenzaam aan tot het was afgelopen", 93.
De hond heeft een speciaal statuut in Malte's verlangen. "En áls er dan al iets moet veranderen, dan zou ik toch tenminste te midden van de honden willen leven, die een met de onze verwante wereld hebben en dezelfde dingen", 33. Twintig bladzijden verder blijkt waarom: een hond weet wanneer een dode levend is. Lees: een hond weet tenminste dat Malte een levende dode is.
(Rainer Maria Rilke, Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge / De aantekeningen van Malte Laurids Brigge, vertaald door Pim Lukkenaer, (1981 [1910])
07-02-2011
Soulier 64 - "in de kelders groeien de schoenen"
© Armando, vogel
"Ook het grootste oog het houten hoofd heeft ooit / de hoge poten opgestoken", 56. ook het grootste oog. en geen schoenen aan die poten. de man Armando heeft in Gedichten 2009 - waarin wel 100 gedichten - niets met schoenen. hij wijst er wél op "hoe boos de voeten zijn", 80. eenmaal groeien schoenen. in kelders. Puin, 70
Ik hoor alweer de toeloop,
de menigte toont ontzag,
het avondeten is bedolven onder
puin.
In de kelders groeien de schoenen,
daaronder komt een pleisterplaats,
en hiervandaan wordt voorlopig geschoten.
Neem kleding mee en let niet op het klokgelui:
de aanval is in aantocht.
de voeten boos, "er zijn ogen, oren, er is beklemming", 58. de man Armando schoeit noch kleedt. geen vijgenblad, dus, noch schaamte. enkel Plicht is schaars gekleed, 45.
Kroop uit het venster,
waardig,
op mos en vochtige aarde,
schaars gekleed en afgemat:
plicht.
Een zekere loslippigheid aangaande
het bestormen aangaande het haastige
betasten van de vijand:
plicht.
en geen brood, niet één. wel "wimpels [die] elkaars voedsel [zijn], 24, en een galgenmaal, "het galgenmaal wordt opgediend: / eet van buiten naar binnen en / wees niet kwaad", 54. De man Armando weet immers dat het "niet vanzelfsprekend [is] / dat op de tafels de overdaad, dat / op een vindplaats het goud ligt", 77. Integendeel, 31
Ze gooien naar beneden,
sluiten plotseling de deuren,
openen de fornuizen en het
ongedierte baant zich een weg.
Met wellust muizenissen gegeten:
er wordt niet gesproken.
Hoe dan ook,
het voorbeeld van langzaam verorberen
van langzaam klapwieken is voorbij.
Jij?
Is het voedsel al vergaan, is
de tong verslonden?
Integendeel: er wordt niet gesproken.
Armando! zou de man Armando niet zijn als zijn verlangen niet van zilver was, Zilver, 84
Ik wil dat de oren van zilver zijn,
van zilver zijn de bloemen,
de planten duwen de bomen weg,
de bomen zijn van zilver.
De oogopslag wordt zelfs baldadig:
ik wil dat jij van zilver bent.
(Armando, Gedichten 2009, 2009)
30-01-2011
Soulier 63 - scènes zonder schoen
© Ron Scherpenisse
Scènes zonder nooduitgang - een cohabitatie van Bert en Ron, van tekst en bewerkte foto's - beschouwt lot, ingesloten en dood. "Wat is er met de regen gebeurd?" impliceert manna (onuitgesproken manna) geen brood, en "alleen met vleugels vang je gevleugelden" heeft, dat spreekt, geen schoen van doen. Noch verdraagt "er zijn er zelfs die zoeken bannen" een vijgenblad.
Rons bewerkte foto's raken aan ijzig bezucht en gekapseld in, het enigma dat [ons] boven het hoofd hangt, maar ook [groei]kracht naast kaal en uitgewoond. Daarbij zijn woorden als schoen, schaamte en brood wellicht overbodig.
Na het lezen, kijken, betasten valt me de rode omslag op. Zowel voor als achter rood. Kan rood voor ingesloten, lot of zelfs dood staan, vraag ik me - voor het eerst in dit denkend leven - af. Om dan plots te beseffen: ja, inderdaad, rood kan dat, mits rood (dat heeft Ron goed gezien) wordt voorzien van een wit etiket met zwarte letters. Zwart op wit, daar heb je de dood - badend in rood.
Een fijne ars-cohabitatie - zo zouden er meer mogen zijn.
(Bert Bevers & Ron Scherpenisse, Scènes zonder nooduitgang, 2010)
11-01-2011
Soulier 62 - Oleschinski's ballerinastompen
© Levi van Veluw
De zanderige wenkbrauw
zwemt het gezicht af, een rups
op weg
naar de waterarchieven, waarin rivieren en plassen
opgedroogd rusten, onmogelijke gevallen als
een poel, zwanger
van haar jongste druppel
of instant water
gewoon
'hoe w a a r d e v o l l e r, hoe schaarser' lijkt in dit caputalistisch tijdsgewricht waarin de westerse mens alles móet hebben, móet kopen, een ethische wezelwaarheid. de oplage van Your Passport is Not Guilty, een poëtisch pareltje van Brigitte Oleschinski, Hermes zij dank gedeeltelijk vertaald, bedraagt dan ook slechts 30 exemplaren. zo gaat dat blijkbaar [ook] met pareltjes.
bovendien levert de zoekterm Oleschinski zowel bij De Contrabas als op Wiki (Nederlands) niets op. nihil. enkel lyrikline lijkt dit poëtisch wonder te kennen.
in Your Passport is Not Guilty, voornamelijk invocatief gedreven, waarbij natuurelement hermetisch aan dier- en lichaamssegment wordt geregen, eet men niet. geen brood dus. wel een smeltend brokje margarine, dat echter niet op de boterham wordt gesmeerd, "[..] Braken wilde ik van geluk / met je smeltend blokje margarine / in het lijf, in het gelijke ritme van de steekdwang / bleek als een spook // zowel links en rechts naast het bed / de lampenkappen, echte runderblaas"
slecht één maal wordt schaamte [zonder vijgenblad] gevoeld, "[..] Je roep / rukte mijn stem uit mijn lijf, ik zong. // Ledematen vol schaamte, bij het zingen / uitgestrooid. Slechts honden // besprongen hun spoor."
slechts één maal wordt er geschoeid.
Zoals de huppelende adem
van de accordeon hier de flarden over straat jaagt, die allemaal in dezelfde wijk
wonen, in dezelfde nederlaag. Gecamoufleerd. Tussen wieldop
en gootsteen grijnst een verkrampte heliumvis, slapzilver
van kieuw tot kieuw, het ragbleke snuifzakje achterna, dat rondwaait, tot het
de treden vindt. Aarzelt, binnenstebuiten draait en op ballerinastompen
omhoog danst, omdat in dezelfde stortvloed van lucht de vis
zich opricht en applaudisseert
Wie der hüpfende Atem
des Akkordeons hier die Fetzen übers Pflaster treibt, die alle im selben Viertel
wohnen, in derselben Niederlage. Getarnt. Zwischen Radkappe
und Rinnstein grinst ein verklemmter Heliumfisch, schlaffsilbern
von Kieme zu Kieme, der hauchblassen Snifftüte nach, die umherweht, bis sie
die Stufen findet. Zögert, sich umstülpt und auf ihren Ballerinastümpfen
aufwärts tanzt, weil im selben Luftschwall der Fisch
sich aufrichtet und applaudiert
poëzie van Oleschinski, een belevenis, nee, een enigmatisch wonder, een te-leven-is
(Brigitte Oleschinski, Your Passport is Not Guilty, vertaling door Erik de Smedt, 2003 [1997], Zegwerk)
Labels:
artiste femme,
Brigitte Oleschinski,
EdS,
Levi van Veluw,
musa,
pain,
shoe,
vijgenblad
28-12-2010
Soulier 61 - bruidgeschoente
© Eva Hesse, 1960
Waarom Aan Chesil Beach werd geselecteerd voor de booker prize shortlist is mij een raadsel - omdat Ian McEwan Ian McEwan is / heet ?
McEwan schrijft begin jaren zestig, de vooravond van een huwelijksnacht. Bruid en bruidegom hadden het plan opgevat om "na het eten wandelschoenen aan te trekken en over de lange kiezelbank tussen de zee en de brakke lagune te lopen", 9. "Ze hadden geen honger. In theorie stond het hun vrij hun bord te laten staan, de wijnfles bij de hals te pakken en naar het strand te rennen en hun schoenen uit te schoppen en uitgebreid van hun vrijheid te genieten", 20, maar "ze deden geen kinderlijke dingen meer als van tafel weglopen terwijl anderen zich hadden ingespannen om een maaltijd te bereiden", 21. "Eenmaal in de slaapkamer .. bukte Florence [de bruid] eerst naar rechts en toen naar links - waarbij telkens bevallig een schouder omlaag ging - om haar schoenen uit te doen .. Ze waren van zacht lichtblauw leer, met lage hakken en een klein strikje voorop, kunstig gevlochten van een donkerder blauw leer", 75. "Terwijl ze [de bruid] door de slaapkamer liep, nog steeds met haar rug naar Edward [de bruidegom], nog steeds bezig tijd te rekken, zette ze zorgvuldig haar schoenen op de grond bij de klerenkast", 77. Even later herinnert McEwan de lezer eraan dat de bruid "zo ongeremd haar schoenen had uitgetrokken", 85. Omdat een bruidegom niet mag achterblijven, ontdoet ook hij zich van zijn schoeisel. "Hij trapte op de hak van zijn schoenen om ze van zijn voeten te wringen en trok met een vlugge duimbeweging zijn sokken uit", 92. Maar "het was een marteling [voor de bruid] om met iemand in een kamer te blijven die haar zo meemaakte. Ze griste haar schoenen van de grond en rende door de zitkamer, langs de resten van hun maaltijd de gang op", 100. "Het valt niet mee [dacht de bruidegom] om harde waarheden op blote voeten en in onderbroek te achterhalen. Hij trok zijn broek aan en zocht zijn sokken en schoenen, en overdacht alles nogmaals", 124. Ze [de bruid] schaamde zich. De schok van haar eigen gedrag trilde nog in haar na en leek zelfs in haar oren te weerklinken. Daarom was ze zover langs het strand gerend op haar mooie schoenen", 130. "Hij [de bruidegom] ging bij de waterlijn aan haar staan denken en liet in zijn verstrooidheid de golven over zijn schoenen spoelen", 146.
Nochtans was het goed begonnen - coup de foudre - al droeg hij [de bruidegom] op de dag van de ontmoeting "een grijsflanellen broek met een verstelde knie, en sjofele gympen waarvan de tenen bijna door waren", 56, zij [de bruid] droeg op een augustusochtend - hij [de bruidegom] "had haar nog nooit zo blij gezien, of zo mooi" - "een zwarte spijkerbroek met gympen en een wit overhemd met in een knoopsgat een zwierige paardenbloem", 120. Enkel rockers met laarzen, 88, en de vader van de bruid ontspringen McEwans dans - surtout le père, "terwijl hij praatte wipte hij met zijn knie op en neer of wriemelde met zijn tenen in zijn sandalen op de maat van een ritme in zijn hoofd", 106.
Kortom, veel saaie en goedkope schoenen, twee broden ("brood en spelen", 32, en "brood zonder boter", 110) en massaal veel schande, schuld en schaamte, waardoor een surrogaat voor de betekenaar vijgenblad niet kon ontbreken: "zijn servet bleef even aan zijn middel hangen, absurd, als een lendendoek", 28.
Aan Chesil Beach, een verhaaltje, hapklaar zonder al te veel diepgang - ondanks enkele mooie ingangspoortjes die slechts toegang geven tot doodlopende straatjes, waarin [en dat stoort] onrealistisch psychisme dwaalt.
Daarnaast creëert McEwan [en dat is mooi] een bruid, die verdrinkt in een invocatieve pulsie, het stem-object dus. Als kind had de bruid "een bijzonder kindermeisje, vrij mollig en moederlijk, met een muzikale Schotse stem", 131. Haar moeder daarentegen is kil en "toondoof", 48. Het jongere zusje werkt "op haar zenuwen met haar nieuw verworven Cockney-accent", 49. Ook de stem van haar vader ergert haar, "die hoge tenorstem, flemend en dwingend tegelijk, met die vreemd verdeelde klemtonen", "vreselijk" om naar te luisteren, 48. Wat de bruid ergert, manifesteert zich in de materialiteit van de stem die als restklank van de betekenaarsketen geen betekenis heeft.
Dat blijkt ook als de bruid de lichamelijke toenadering van de bruidegom niet kan harden, dan hoort ze "een geluid dat gaandeweg hoger wordt, een viool-stem die ze nét niet verstaat en die haar in sisklanken en klinkers iets dringends vertelt dat primitiever is dan woorden. Het kan binnen de kamer zijn, of buiten op de gang, of alleen maar in haar oren, als een oorsuizing. Het zou zelfs kunnen dat ze het geluid zelf maakt, 33. Bovendien is er geen woordenreeks die ze bij deze noten kan laten passen; het lijkt niet alsof er iets gezegd wordt, 76.
Wat wil ze, de bruid - een violiste? Ze wil muzikaal gaan en baden in klanken: "Alles voor de muziek", 41. Op het moment dat ze de toekomstige bruidegom ontmoet, voelt ze zich (vooraleer hij één enkel woord heeft gesproken) (zelfs) aangetrokken door "de licht nasale plattelandsklank in zijn stem, dicht bij het plaatselijke Oxford-accent, met zijn zweem van West Country", 58. De stem als erotiserend object, dat is duidelijk. Als de bruidegom zich ontkleedt, herinnert ze zich een voorval waarbij "haar vader zich door de schemerige krappe kajuit bewoog en uitkleedde, net als Edward [de bruidegom] nu". Ze herinnert zich "het geritsel van kleren, het gerinkel van een riem die werd losgemaakt, of van sleutels of kleingeld. Haar enige taak was haar ogen dicht te houden en te denken aan een liedje dat ze leuk vond. Of welk liedje dan ook", 94 - een ingangspoort die McEwan niet verder uitwerkt. Pauvre McEwan!
Vanwege de massale hoeveelheid schande, schuld en schaamte moge het duidelijk zijn dat de stem als stem van het geweten [gelukkig maar] [ook] bij de bruid niet ontbreekt.
Maar waarom Aan Chesil Beach werd geselecteerd voor de booker prize shortlist: één groot vraagteken.
20-12-2010
Soulier 60 - "deze uitleg dient de volledigheid, hij is onjuist"
© David Shrigley
in het hoofd van vitus bering, de mooiste biografie die ik ooit las: geen vijgenblad. het hoofd situeert zich in een mum en zee van ijs, en heeft dus praktisch noch antithetisch een vijgenblad van doen - schaamte evenmin.
in het hoofd van vitus bering, de mooiste warse bio die ik ooit las: geen brood, hoewel het hoofd baadt in een oraal register.
in het hoofd van vitus bering, de mooiste warse en verkapte bio die ik ooit las: drie paar schoenen, gebed in zinnen die de kleur van het hoofd verraden: [opgeg]eten [worden], [daar waar het] koud [is] en zwart, de kleur van rouw, dat niettemin licht absorbeert - zonder het te weten.
bij de tewaterlating van de boten gebruikte men mensen als walsen. vervolgens gaf men ze de scheepstimmerlieden te eten. vitus bering maakte dat hij weg kwam uit het stof dat het schoeisel van de stadswacht voor de herberg uit het straatvuil had doen opwaaien, 10
toen vitus bering tegen een kant botste, richtte hij zijn blik naar de maan en schampte af van de wolken, die intussen naar voren waren geschoven, op de spits van de kathedraal van sint-petersburg, sprong nog een beetje over schoorstenen en daken, tot hij bedachtzaam op de punten van zijn laarzen viel, die zijn laarzen in noordelijke richting afsloten. daar staken de voeten van bering in die bibberden van de kou, 16
vitus bering draagt een zwarte rok, die tot aan de enkels reikt. de rok is afgezoomd met een zwart lint en hij wordt in het middel door een zwarte gordel van zwart leder bijeengehouden. een stuk doek in de vorm van een broek bedekt zijn heupen, zijn benen steken in lange laarzen. dit stuk doek is zwart van kleur. deze lange laarzen zijn zwart. zwart is de kleur van de rouw en absorbeert het licht. zo ving vitus bering veel licht quanten en het was voor hem een (I) en hetzelfde of het deeltjes waren of niet of allebei of iets anders, en hij bewaarde ze voor betere tijden, zonder het te weten, 25
in het hoofd van vitus bering, de mooiste warse, verkapte en ook schalkse bio die ik ooit las, lees ik: wat is het belang van een mensenleven? wie ben ik [geweest]?
wie niet met oorlogsdaden voor de dag kon komen, werd oude vrouw of niemand genoemd. vitus bering dacht: ik, vitus bering, heb honger, 20
vaststelling / vitus bering was niet tsaar peter I of de grote en evenmin georg schweinfurth, ook was vitus bering niet dr. hahl niet dr. fridtjof nansen niet koning munsa niet eerste luitenant dodge niet guizot niet professor sepp niet prins von waldburg-zeil ook niet antonio vecerina of beethoven niet koning lodewijk XIV niet sverdrup niet eerste luitenant payer niet scheepsvaandrig orel niet james cook niet simon dezjnev niet sir martin frobisher niet john davis niet henry hudson niet parry niet franklin niet john ross niet m'clure niet nordenskjöld niet umberto cagni niet amundsen niet robert e. peary of timoer tamerlan, 27
het lange haar was een teken van de vrije man. vitus bering droeg het in een staart die naar beneden hing, 33
monoloog [21 juni] / ik ben vitus bering, 30
zijn pols was vrijgekomen. boven de pols was een vogel met twee koppen en uitgestrekte vleugels in de huid gekerfd [zo geeft de tsaar aan wat hem toebehoort], 36
het hout van het deksel was vermolmd, maar de voorkant was gevat in een huls van messing, die op de gele, goed opgeblonken ondergrond een zwarte, dubbelhoofdige adelaar in lijnets vertoonde. bering nam het luik iets dichter bij zijn ogen en bekeek nu de achterkant van het deksel, zonder de inscriptie in begrip om te zetten, omdat hij deze moeite // NU // niet op wil brengen, 34
inschriptie met een scherp voorwerp in het luik gekerfd / "vitus bering trok - omdat het koud was - een dikke handschoen aan. toen meende hij dat er een berenklauw was gegroeid, en verloor zijn verstand", 41
wie ben ik [geweest] is onlosmakelijk verbonden met de ander. in het hoofd van vitus bering verslindt de ander de ander, waardoor het hoofd zich [vooral bij aanvang] in een pregenitaal oraal-kannibaals register bevindt. de ander eet geen brood, maar vis, het lichaam van de heer en mensen [partout]. mais, je est un autre en posities zijn inwisselbaar, zodat ook vitus bering het lichaam van de heer eet, "het lichaam van de heer, die hij als zijn vader en diens zoon beschouwde", 21. "er bestaan [overigens] volkeren waar ouders het als een eer beschouwen door hun nakomelingen gedood en opgegeten te worden", 20, dat wist zowel vitus als konrad als bering.
nee, konrad bayer en vitus bering zijn niet meer, maar het hoofd overleeft, goddank
(konrad bayer, het hoofd van vitus bering, vertaald door Erik de Smedt, 2006 [1965])
11-12-2010
Always the mother XIII (la mer japonaise)
© Sinta Werner - Markus Wüste
niet elke Nothomb is een Nothomb, merk ik lijdzaam op. ni d'Adam ni d'Eve (een roman waarin Amélie als twintiger terugkeert naar de cultuur en het taalbad van haar prille jeugd - ze wil Japanse worden) mist het vranke en de Nothomb zo kenmerkende spitsheid. und ist langweilig.
een lezing van ni ni vanuit de betekenaars brood, vijgenblad en schoen zet je bovendien op de verkeerde voet - het levert niets op. geen vijgenblad, nauwelijks schaamte, zes niets!zeggende schoenen en "soldaatjes van onbederfelijk brood" (44). C'est tout.
nochtans zit je met de betekenaar brood (lees: voedsel) op het juiste spoor: ni ni situeert zich talig [en massaal] in een oraal register. wat is hier gaande, denk je in eerste instantie, als weer (voor de zoveelste keer) wordt gegeten*. gaandeweg word je van al die gerechten onwel tót de betekenaar mager valt: "als ik terugblik op mijn verleden, dan stel ik vast dat alle mensen die een belangrijke rol hebben gespeeld in mijn leven mager waren [..] dat moet toch wel iets betekenen" (100). dan besef je: hier speelt een particuliere eetproblematiek - de onpasselijkheid verdwijnt. je ziet plots dat alle gerechten worden aangereikt: Amélie wordt gevoed / wil gevoed [worden].
vermits de moeder in het verhaal ontbreekt [de vader uiteraard eveneens], is het wachten op de plaatsvervanger(s) en zie: "hoe je zoveel van die gevleugelde godjes kon houden dat je jezelf erdoor liet opvreten", 148, "ik gaf de muggen niet te manger, of te eten, maar te démanger, in mijn bloed viel genoeg te démanger voor een banket van vliegende beestjes. ik was noodgedwongen [noodgedwongen] een gewillig festijn", 149. de problematiek wordt duidelijk: Amélie krijgt aangereikt / wil aangereikt krijgen, maar de keerzijde, het gevaar hierbij verslonden te worden, dreigt. en je begrijpt eindelijk het belang van de massale hoeveelheid gerechten - een hoeveelheid recht evenredig met de dreiging en de ernst van het gevaar te verdwijnen.
deze hypothese wordt al snel bevestigd, met name als Amélie zich alleen en niet zonder angst naar een besneeuwde bergtop begeeft. Daar woont in het kinderverhaal "Yamamba [u merkt de 'mam'], de boosaardigste onder de onibaba of heksen, die de bergen teisterde waar ze eenzame wandelaars ving om er soep van te koken - die soep van eenzame wandelaars [..] heeft zo vaak door mijn verbeelding gespookt dat ik meen te weten hoe hij smaakt", 161. het gevaar is duidelijk van orale aard: Amélie vreest te worden verslonden, opgevreten.
dat blijkt ook even later wanneer vriend Rinri haar meeneemt naar Sado, een eiland in de Japanse Zee (la Mer Japonaise in Nothombs moedertaal), une Mer waarin zij als kind net niet verdronk, 183. ook op Sado, hoe kan het anders, wordt gegeten, met name inktvisjes die voor het oog worden gedood. en ja hoor "het wraakzuchtige [lees: wraatzuchtige] lijkje zoog zich met al zijn tentakels vast aan mijn tong. het liet niet meer los. ik gilde zo hard als een mens kan gillen als zijn tong door een inktvis wordt verzwolgen", 195. wat wordt aangereikt, is bedreigend, kan je verslinden. als Rinri haar even later ten huwelijk vraagt, is het antwoord - dat spreekt - nee. hij mag aanreiken, maar enkel vrijblijvend. de angst, het gevaar om in hem te verdwijnen is te groot. als deze modus vivendi mislukt, rest [Amélie] enkel de vlucht: een vlucht naar de armen van haar zus, de laatste die haar [in dit verhaal] zal voeden.
mooi, hoe Amélie in ni ni twee pogingen onderneemt om [toch] zelf iets te eten, twee keer een vrucht, twee keer mislukt het. "ik had trek in een tomaat en zette mijn tanden erin [..] hij griste de tomaat uit mijn handen en zei dat die vrucht slecht was voor mijn teint", 127, "donkere, kale dadelpruimen, rijkelijk beladen met rijpe kaki's [..] ik duizelde van verrukking en verlangen tegelijk, want ik ben dol op rijpe kaki's. helaas, hoe hoog ik ook sprong, ik kreeg er niet één te pakken", 193. Rinri zal even later kaki's plukken en deze bij wijze van verrassing, ja, aanreiken.
ni ni schetst m.a.w. een zeer coherent en particulier psychisch vignet dat meer dan beheerst wordt door het oraal register - omdat Amélie ditmaal zichzelf schreef? helaas is het geen hoogvlieger op lyrisch vlak. und sehr langweilig.
(Amélie Nothomb, Ni d'Adam, ni d'Eve / De verloofde van Sado, vertaald door Marijke Arijs, 2008 [2007])
* hiroshima-saus, peanut butter, kool in reepjes, 20, gember, 21, garnalen, 21, okonomiyaki, 21, 98, pannekoekenbeslag, 23, zure pruimen, azijn, soja, 23, Zwitserse fondue, 48, pasta carbonara, 71, sashimi, sushi, 71, eieren, 73, pruimensaus, 73, walvisvlees, 76, chinese noedels 86, 103, 180, gebakjes, 83, pancakes, 112, koekjes, 115, spinazie met sesam, kwarteleieren met shiso en zee-egels, 124, Italiaans-Amerikaanse salami met een centimeter mayonaise erop, 125, tomaat, 127, drie gemberwortels, 128, paardenbloembeignets, 135, gevulde shisobladeren met lotuswortels, gemarineerde bonen met cederappels, gebakken dwergkrabben, 135, orchideeënbouillon, 136, chawanmushi, custard van schaal- en schelpdieren met zwarte champignons en visbouillon, 139, jakobsschelpen, blanc-manger, 140, noedelsoep, 155, soep, 161, diepvriesproduct, 167, kaiseki, 191, levende inktvisjes, 194, goudbrasemfilets, 195, kaki, 196, stippelvarensoep, 211, boekweitnoedels, zoete bonen, rijstkoeken en andere rariteiten (meer een genot voor het oog dan voor de mond), spagetti, 216
06-12-2010
Soulier 59 (en die daar schreeuwt help alsof het iets zou helpen, 110)
© Philip Guston
in het hoofdletterloze zesde zintuig, opgelet IK ZAL ME NIET LATEN BEETNEMEN (12), misschien is het alleen als BEELD bedoeld (54), ben ik blootvoets (9), is hij blootvoets (13), is zij blootvoets, de dame zonder schoenen (8) en schudden we blootvoets de handen (11), dan verschijnen de gebeurtenissen in een nieuw licht [partout] en worden natte schoenen weer aangetrokken (40), hangen gardesoldaten van de flanken van hun paarden, groeien uit de zadels [en] drijven de spitsen van hun laarzen naar ons de aarde tegemoet (42), waar leven en eigendom bedreigd worden vallen alle verschillen weg [partout], dobyhal had een slang gevangen, hij vilde ze en spijkerde het vel op de plank die hij op zolder zette om het daar te laten drogen, weintraub draaide wat om zijn hoge rekstok en zei: wil je er schoenen van laten maken (49), de gebeurtenissen verschijnen in een nieuw licht [partout], zijn benen zetten stappen, zijn zolen voelden weerstand, bestanddelen van de straat op bijna wiskundige wijze, afstand, orde, druk uitoefenend, verwaarloosden zijn schoenzolen, kunstmatige hoornhuid, de asfaltbedekking van zijn levensweg, die nu deze straat was, voor een bepaald percentage (67), helemaal in de stijl van de eeuwwisseling [partout], een verre stad, waar de hoge torens hun lange schaduwen werpen en de eenzame burgers hun grof geschoeide voeten op een plaveisel werpen dat zelden vernieuwd nu een beeld van algemene troosteloosheid voor ons uitbreidt, leidt, zich uitstrekt (70), moe drinkt goldenberg resten uit drie kommen, haalt het spaarboekje uit de vuile was, steekt de tandenborstel achter zijn oor, legt de zeep in zijn schoen, naait munten in zijn broeksriem, vult z'n broekzakken met slaappoeder en giet een paar herinneringen uit in de vuilnisemmer (89), vooraan het gezicht, zoals men zegt, daaronder, beneden, een verdieping, een mijn, éénzeventig later wiebelen de zolen op de voeten, de voeten op de benen, het komt naar boven, het komt dichtbij, terug, daar zijn de tenen en bepalen de richting door het leer van de schoenen, verkommerde wegwijzers (93), dan verschijnen de gebeurtenissen in een nieuw licht [partout], de rode krijgers trekken zich terug, hun blanke bloed rent wild door hun aders, hun plompe mocassins vernielen het gras van de savanne (96), de benen van de vader huppelen voor de verstarde benen van de zoon, dit beest met vier poten op die veel te enge schoenen, en boven weerklinkt de stem, de te luide stem van de vader, pathetisch afgezwakt (111), helemaal in de stijl van de eeuwwisseling [partout] staat het water in mijn schoenen, grote bloemen ontploffen in de wolken, .. het zweet loopt in mijn schoenen (127), ik zink, ik hang, de lucht is om me heen, mijn voeten hangen in mijn schoenen (129)
in het zesde zintuig, hoofdletterloos, op enkele uitzonderingen na (LEGT, ik leg, jij legt, wij liggen in de zon, EEN GOED, sterk, krachtig, ONTWIKKELDE BORST, ten eerste, ten tweede en ten, VOOR JOU, franz goldenberg, meerderjarig, staatsburger, GEWICHT IN DE SCHAAL (25)), in dat zesde zintuig, het mooiste boek dat ik ooit las, geen betekenaar als vijgenblad, wel een natte zwembroek (11), broodsoep (16, 104), een stuk brood (25), een half roggenbrood (19, 32), very basic, en niet minder dan 13 paar schoenen.
plots onderbreek je, verander je van richting, gaat daar naar toe terwijl niets dat verantwoordt, waar je niets te zoeken hebt, en je vindt wat je nodig hebt (99), ja, een nieuwe hypothese: hoe herme[s]tischer het boek, hoe minder schoenen en zichtbare schaamte, hoe basaler het brood, tenzij de gebeurtenissen herhaaldelijk in een ander licht verschijnen, in dat geval stijgt het aantal schoenen exponentieel - helemaal in de stijl van de eeuwwisseling
(konrad bayer, het zesde zintuig, vertaling Erik de Smedt (2001 [1985-1996])
Labels:
EdS,
Konrad Bayer,
lituraterre,
Muza,
pain,
Philip Guston,
shoe,
vijgenblad
29-11-2010
Soulier 57 (maar ze valt niet)
© Georg Baselitz
Terrein = [is] observatie. observatie waarin de dichter [schijnbaar] niet subjectief geïmpliceerd is, op twee ex-cathedra's (waaronder Ekerekerenska) en hier en daar een slotzin na ("Herstel wat veraf is. Onderdruk wat / vooraan staat. Kiept het kantelraam", 18).
Lindner bekijkt en omschrijft handelingen en situaties, waaraan je veelal achteloos voorbij gaat, en plaatst deze fragmenten al dan niet coherent onder of naast elkaar. uiteraard heeft deze werkwijze een bevreemdend effect maar meer nog word je als lezer geconfronteerd met het besef dat je al te veel voor evident en vanzelfsprekend neemt, dat je al te vaak interpreteert.
Een kleine vrouw houdt een paraplu hoog boven haar hoofd
je houdt stil om iets op te schrijven en iemand botst tegen je op
een vrouw raakt haar paraplu kwijt en holt er achteraan
de paraplu kantelt over straat
alsof de wind en ik dezelfde zijn
alsof een paraplu een boot op het wegdek is
een muur hakt een stuk in de lucht
er valt regen in je notitieboek
een meisje vraagt je de weg
vertel je die dan raak je haar kwijt.
(een kleine vrouw houdt een paraplu, 32)
observatie levert geen betekenaar als vijgenblad op, dat spreekt: geen mens die vandaag de dag nog een vijgenblad draagt. schaamte? evenmin. voor schaamte klinken de woorden en zinnen in Terrein te zelfzeker. eerder spreekt de dichter van "juwelen van een mens die zich baadt en droogt". een onversneden brood? nee, wel bitterkoek, ijsco en aangebraden vlees - meer wordt er in Terrein gelikt noch gegeten. de betekenaar schoen komt eenmaal voor in de vorm van een sonore hak: "in de kamer klakt haar hak op zijn kant op de vloer / maar ze valt niet / een arm haalt haar lichaam om / en in haar draai pakt haar eigen arm hem beet", 28.
mijn eerder geformuleerde hypothese kan ik dus mutatis mutandis behouden: hoe toegankelijker (oppervlakkiger) het boek, hoe goedkoper schaamte en schoenen, hoe zoeter het surrogaat voor (dagelijks) brood.
welke betekenaars dan wel met enige regelmaat terugkeren? paard en schip, definitely. maar Lindners schip verwijst niet naar de vermaarde zonneboot of overvaart, en niemand, niemand moet verlokking van Sirenen weerstaan. geen ark wordt gelicht. schip verwijst gewoon naar schip, het beobachte schip. zo vergaat het ook het paard. er is geen sprake van een merrie bereden door Sint Joris of Sint Maarten (die apropos zijn mantel deelt), geen hemels bliksempaard ontdaan van aards en zwaartekracht, noch Pegasus die met zijn hoefslag bronnen slaat. Lindners paard is het gedomesticeerde maar vooral geobserveerde paard, pas plus, pas moins.
Een wit paard, de voorpoten aan elkaar gebonden
hinkt vooruit
naar een muur van betonblokken, dichtbegroeide rails
bergen buiten de stad
treinstellen naast het spoor
hoog naast het veld gloeit een lasvlam op een balkonhek
een man op een muurtje masseert de nek van de man
die naast hem zit
een koord spant langs de voegen tussen stenen
ritmisch knerpt het zadel op het stapvoets lopend dier
de stofwolk nadat een auto voorbijrijdt
hoe je de stad ook uit loopt, je keert terug langs de rivier.
(Een wit paard, de voorpoten aan elkaar, 30)
(Erik Lindner, Terrein, 2010)
23-11-2010
soulier 56 - (trapeziumhak)
© Philip Guston, 1971 (book ball shoe)
zondagavond - het is een hespengebraad gegeven - formuleert zonder veel diepgang (veel dus niet tussen haakjes) een antwoord op de vraag: "waarom alles weer oprakelen? is er dan nog iets, iets wat ik pas begrijp als ik me uitspreek?" (40). ja dus (gelukkig maar), maar hier, ik val in herhaling, hapklaar.
onuitgesproken zaken gaan uiteraard verezeld en gepaard met schaamte, een woord dat tot 7 maal toe (onverbloemd) valt. daar ligt het dan, naakt, geen metaforisering, geen vijgenblad. een brood vind je 's zondagsavonds evenmin, wel warme knapperige broodjes (154), nogal zoet. en veel (wel 10) (nogal domme) schoenen.
zo kom ik tot een nieuwe hypothese: hoe toegankelijker (oppervlakkiger) het boek, hoe goedkoper schaamte en schoenen. hoe zoeter het surrogaat voor (dagelijks) brood.
naast de vooral sonore schoenen, "klossend op veel te grote pumps" (23), "geklos van schoenen" (93), "rubberzolen die een tergend piepje veroorzaken als ze over linoleum schuiven" (125), "geschuifel van hakken, hakjes, gympjes" (139) valt één paar schoenen op, "de schoenen van mijn moeder", een moeder die in het boek overigens geen rol speelt, but always the mother, isn't it, ze sijpelt zelfs door in een verhaal dat het hare niet is: "kinderrijmpjes. de schoenen van mijn moeder onder tafel, bruin met een vetertje, trapeziumhak. en hoe ze de punten tegen elkaar wreef" (100) - erotischer kan haast niet.
(Vonne van der Meer, Zondagavond, 2009)
31-10-2010
Soulier 55 - Je vreest het affront als stront aan je voeten
Joseph Semah
de slalom soft heeft niets met brood (op een broodje tonijn na, maar dat is geen brood). ook schoenen en blootvoets zijn die slalom vreemd. een paar voeten, ja, en dat is het.
".. en je kijkt naar je voeten / tot je, tot je, vooruit soepele schuifdeur, / tot je gedaante gewist is .." (20 - Je haalt de grote opening aan)
" .. het is al voorbij, / met wat trekken en duwen, / een voet of een staaf, is het gebeurd, een gat / in het gesloten, immense complex ..) (17 - Live streaming)
een vijgenblad? noppes. de softe slalom gaat naakt.
"Zonder kleren / wordt hier elke oogwens simultaan / vertaald in een positiewisseling .." (24 - Zonder kleren)
"Je vreest het affront als stront aan je voeten. / Ringen van wind om de enkels. / Naakter kan niet .." (28 - Je vreest het affront als stront aan je voeten)
schoen noch brood noch vijgenblad, evenmin een geschenk, en nauwelijks faun- of flora - de eerste keer dat me dit (bij een lezing) overkomt. welke betekenaar dan wel met enige regelmaat weerkeert? ik zou het niet weten. daarvoor is de slalom soft net iets te hoe-noem-je-dat, gevarieerd?
oordeelt u zelf.
21 - Terug nu, terug!
Terug nu, terug!Achteruit!Alleen wie gemachtigd istot ingebruikstellingof uitschakeling, kent nog het genotvan de kalmte.De tijd van wimpel en warempel is voorbij.We moeten uit vernedering inspiratie halen.
Wie haalt de rat uit de filter?Wie controleert het chloorreservoir?Onder extreem gedruis, het gegil,de ontembare galm.
Straks ook het duister aftasten.
Zul jeals je gaat slapen met
minder tevreden zijn?
(Paul Bogaert, de slalom soft, 2009)
26-10-2010
Soulier 54 (mijn brein had last van een steentje in zijn schoen)
© Elisabeth Lauf
"Die ochtend kreeg ik een nieuw soort brief: // Beste Amélie Nothomb, // Ik ben soldaat der tweede klassse in het Amerikaanse leger, mijn naam is Melvin Mapple, u mag me Mel noemen", zo vangt Een vorm van leven aan. Wat volgt betreft (bedenkingen omtrent) de correspondentie tussen twee onbekenden: i.c. Amélie en een man die worstelt met boulimie.
Something basic als de betekenaar brood past niet in de sfeer van vraatzucht, Nothomb voelt dat goed aan en gooit met junkfood, broodjes pastrami, een steelpan chili con carne, alles behalve brood. Logisch en ook aanvaardbaar omdat ze een valabel alternatief aanreikt: honing.
"Ik at kruikenkoek met honing. Ik ben dol op de smaak van honing. Het Franse woord sincère, 'oprecht', dat tegenwoordig zo in de mode is, is ervan afgeleid: met sine cera, letterlijk 'zonder was', werd gezuiverde honing van uitstekende kwaliteit bedoeld. Sjacheraars smeerden je namelijk een vreselijk mengsel van honing en was aan. De vele mensen die tegenwoordig het woord sincérité, 'oprechtheid', te vaak in de mond nemen, zouden een kuur met goede honing moeten ondergaan om hen eraan te herinneren waarover ze praten", 151
Dat boulimie gepaard gaat met schaamte ligt voor de hand, maar nergens de betekenaar vijgenblad. Ook dat is logisch, vanwege overbodig: "Terwijl het individu zich staande hield voor de lens, hielden zijn omvangrijke vetrollen zijn geslachtsdelen verborgen", 111. Amélie van haar kant verbergt haar (plaatsvervangende) schaamte met diplomatie, hoewel:
"Een diplomatische brief is een pleonasme. Het woord 'diplomaat' is afgeleid van het oud-Griekse diploma, 'in tweeën gevouwen vel papier', met andere woorden een brief. Diplomatie is begonnen met correspondentie. Een brief kan inderdaad een middel zijn om zaken beleefd uit te drukken. Bijgevolg is er een historische contaminatie van de twee praktijken ontstaan: een diplomaat schrijft vaak veel brieven en in de briefschrijfkunst is een diplomatische houding gebruikelijk", 74
Brood noch vijgenblad maar wel drie nietszeggende en twee toepasselijke schoenen. Tot drie maal toe delft Nothomb een schoen uit de voorraad zegswijzen: "waar het schoentje knelt", 85 en (verantwoordelijkheid, 89, de mislukking van de oorlog, 139) "in schoenen schuiven" - de schoen (uiteraard) gerelateerd aan schuld. Daarnaast, een mooie!, "mijn brein had last van een steentje in haar schoen", als metafoor voor een stemmetje in het hoofd, een meedogenloze stem eigenlijk:
"Halverwege de Atlantische Oceaan vond de kiezel de juiste woorden: 'Amélie Nothomb, kun je me zeggen wat je aan het doen bent?' Ik antwoordde hypocriet: 'Kijk, ik ben een volwassene met zin voor verantwoordelijkheid die heeft beslist een Amerikaanse vriend te gaan bezoeken.' 'Maar nee! De waarheid is dat je niet bent veranderd sinds je acht was: je denkt dat je mysterieuze krachten hebt, je beeldt je in dat Melvin van zijn zwaarlijvigheid genezen zal zijn nadat je hem hebt aangeraakt!' Ik stopte mijn oren toe.", 168
Als laatste schoen, een steeds groter wordende schoenmaat, waar ik nooit eerder bij stilgestaan heb:
"Noteer de getallen en alle lichamelijke en geestelijke symptomen van uw evolutie. U hebt vast nog foto's van toen u nog slank was, die zou u vooraan een plaats kunnen geven in uw schrift. U zult blijven aankomen, zo kunt u steeds indrukwekkender plaatjes schieten. Breng de delen van uw lichaam waar uw zwaarlijvigheid het best tot uiting komt in kaart. Verwaarloos echter niet de minder begunstigde zones zoals uw voeten, want ook al zijn die minder gezwollen dan uw buik of uw armen, toch moet uw schoenmaat ook groter zijn geworden", 69
Als (momentaan) toetje voor mezelf (maar u mag delen in de pret) kruiste ik ook tweemaal de betekenaar geschenk aan, twee immateriële! geschenken (dat siert Amélie): "U komt me bezoeken. Dat is een buitengewoon geschenk. Ik denk niet dat u dat voor al uw correspondenten doet", 165 en "Ik weet niet goed wat voor effect het op me heeft als ik zulke woorden ontvang: een combinatie van ontroering en ongerustheid. Als je zulke woorden met een geschenk moet vergelijken, is het alsof je een hond krijgt. Je bent ontroerd door het dier, maar je denkt ook dat je ervoor zult moeten zorgen en dat je daar helemaal niet om hebt gevraagd.", 58
Maar eigenlijk gaat Een vorm van leven voornamelijk over "briefwisseling [die] werkte als voortplanting door deling: ik stuurde u een uiterst klein deeltje van mijn leven, het verdubbelde doordat u het las, het werd verveelvoudigd door uw antwoord enzovoort. Dankzij u deed een kweekbodempje zijn intrede in mijn niet-bestaan. Ik lag in een marinade van gedeelde woorden. Er is een genot dat door niets wordt geëvenaard: de illusie dat je iets betekent. Dat die betekenis het resultaat is van een leugen, doet niets af van het genoegen.", 161.
Brood noch vijgenblad maar drie verwaarloosbare en twee volwaardige schoenen plus twee onverwachte geschenken, ik ben een tevreden mens, ook dat is een vorm van leven.
(Amélie Nothomb, Une forme de vie / Een vorm van leven, vertaling Daan Pieters, (2010 [2010])
19-10-2010
Soulier 52 (sy stem trek my skoene van my voete)
© Marlene Dumas, schaammeisje, 1991
niemand minder dan Dumas' schaammeisje, blootvoets, op de omslag van Krogs bundel Kleur komt nooit alleen (waarin enkel kapitalen voor God en namen). de getallenreeks eindigt op 189, stipt.
sy stem trek my skoene van my voete. zijn stem trekt mij de schoenen van de voeten, 30. ek slaap op my skoene, ik slaap op mijn schoenen, 170. ons trap die roetes ná / brood en water by Kaolack. we vervolgen onze route / brood en water bij Kaolack, 154. jy maak ingedagte tekeninkies in die broodkrummels. peinzend ga je met je vinger door de broodkruimels, 104. toe afval en rysbrood / toe vleis en groot ronde warm brode / toe yskoel waatlemoen. dan slachtafval en rijstebrood / dan vlees en grote ronde warme broden / dan ijskoude watermeloen, 182. trug sal jy trug / soos die ander vrou / bak sy brood / sit sy kerk / as sy hom hoor fluit / staan sy op 'n loop. terug moeten zul je / zoals die ene vrouw / al bakt ze brood / al gaat ze kerk / als ze hem hoort fluiten / dan staat ze op en loopt, 16. ons leef van die daaglikse brood van die woord. wij leven van het dagelijkse brood van het woord, 158. hulle skraap sy brein in 'n gat in die grond / hulle trap dit vas met hulle stewels. ze schraapten zijn hersenen in een gat in de grond / ze trapten het aan met hun laarzen, 54. die dood draf voort in my skoene / driehonderd en dertig dooies per uur. de dood dendert voort in mijn schoenen / driehonderddertig doden per uur, 136.
zes broden en vier paar schoenen, een schaammeisje, geen vijgenblad. gecombineerd meteen ook de samenvatting van het boek, al eindigt de getallenreeks op 189, uitgezongen, schor.
(Antjie Krog, Kleur kom nooit alleen nie / Kleur komt nooit alleen, vertaling Robert Dorsman, (2000, [2002])
03-10-2010
Soulier 51 (de hakken in de grond boren)
© Paul Schietekat
In Kafka's strafkolonie draait het, hoe kan het ook anders, om schuld die men in andermans schoenen schuift - wat op zich reeds absurd is, maar niet als zodanig erkend, vermits algemeen verbreid. "Mij treft geen schuld", 724, "allemaal de schuld van de commandant", 732, "schuld staat altijd vast", 726.
Wat beschaamt wordt verzwegen. "Dat zal de officier u wel niet verteld hebben, want daar schaamde hij zich het meest over", 744. Het zwijgen als vijgenblad.
Verder geen brood in de strafkolonie en slechts één soldaat die "zijn hakken in de grond boort", 728 - dan is het uit met schoeisel.
Der Franz bedient zich eerder (en opvallend) van betekenaars onder de noemer kleding: "een nauw parade-uniform, met epauletten bezwaard en met tressen behangen", 723, "een hemd en een broek van achteren doorgesneden", 730, "havenwerkers die geen van allen een jas dragen, wel gescheurde hemden", 744, ..
Vrouwen, die onbegrepen of misschien liever on(be)grijpbare wezens (Kafka staat in deze niet alleen), verschijnen (mooi om lezen) als dames die dunne dameszakdoekjes, 721, 741, en suikergoed uitdelen, 732, als dames die met hun dameshand je mond dichthouden als je wil schreeuwen, 735, en als je niet oplet met je vingers spelen, 737. Het schoeisel van deze dames laat der Franz evenwel (terecht?) onbesproken.
(In de strafkolonie, uit: Franz Kafka verzameld werk, 1983, vertaling Nini Brunt)
27-09-2010
Always the mother XII (denial is not only a river in Egypt)
© Marc Chagall
Dieperik, een dun boekje met een gepaste titel - áls je het leest met de ontbrekende ondertitel denial is not only a river in Egypt in het achterhoofd. Zo las ik het ook om in de vreemde epiloog van één enkele bladzijde bij het glanspunt te belanden: ".. Maar ten slotte is alles terug opgediept, opnieuw op scherp gesteld en in taal omgezet - en dat terwijl mijn oorspronkelijke ervaring van die zomeravond in de eerste plaats met welbehagen, met verbeelding en met zinnelijkheid te maken had. En zo is die herinnering nu verdubbeld geraakt tot twee herinneringen: de ene mét woorden, de andere zonder" (slotzin). Ik had graag de verwoording van de tweede versie (de herinnering zonder woorden) gelezen, de eerste versie met woorden laat het verdrongene onbesproken, wat niet wegneemt dat het verdrongene (zoals steeds overigens) vermomd terugkeert, hier via de betekenaars water, melk en klei.
Een lezing van Dieperik vanuit de betekenaars vijgenblad, brood en schoen levert dan ook eerder bijkomstigheden op. Een zwembroek, 41, als surrogaat voor het vijgenblad. "Alles .. vertrapt onder de reuzenlaarzen van de vechters", 65, een verplaatsing van het innerlijk conflict naar (verontwaardiging over) vijandelijkheden tijdens wo II. "Zondagse schoenen, gepoetst en opgeblonken", 14, zoals het hele lichaam overigens. "De handen [van ovenarbeiders] .. hard als het leer van een schoenzool", 33. "Een paar boterhammen met jonge melkerijkaas", 54, waarbij vooral de kaas (verzadigd van melk) opvalt. Ook in het fascinerend g/beschreven overzicht van wat men in een mensenleven zoal doet, 90-97, vind je (als fait divers) brood en een paar schoenen. "Bij de bakker een brood gaan kopen", 91, "een paar nieuwe sportschoenen" eveneens, 94. "De brooddoos van onze oudste achternabrengen", (92).
Melk daarentegen en water en klei zijn (in mijn lezing) zwaarbeladen. In eerste instantie melk die te herleiden is tot de zinnelijkheid waarover Pleysier in de epiloog gewaagt en in het boek met geen letter gerept wordt, melk die te herleiden is tot de primaire verhouding tot moeder, melk, de tandeloze voorloper van brood (in tegenstelling tot het 'o, vader in de hemel, geef ons dagelijks brood' als stadium voorbij de moeder).
".. Ondertussen zitten een beetje verderop moeder en nonkel Wies zwijgzaam en met z'n tweeën de koeien te melken die door onze hond in een hoek van de weide bijeengedreven zijn - het gaat om een paar pasgekalfde koeien die de eerste dagen met de hand gemolken worden. Dat wil zeggen: laag bij de grond neergezeten op een houden krukje, met de stekende middagzon bijna pal boven je hoofd en ondertussen geplaagd door vliegen en blindazen; en maar twee handen aan je lijf voor de vier spenen die aan de gespannen uierzak zitten. Bij de ene koe moet je tegelijk heel hard knijpen en trekken eer de melk tevoorschijn komt, bij de andere hoef je de spenen maar amper aan te raken of het komt er al uit gedruppeld. De geelachtige, bijna stroperige biest die de warmte van het stomende koeienlijf heeft. De vette melk die in de zomer naar klaver en Engels raaigras smaakt en in de winter naar rapen, naar hooi en naar silovoer. Het zzzp-zzzp van de melkstralen in de roestvrijstalen emmer waarin een schuimkraag groeit terwijl de uierzak al aan het krimpen en aan het slap worden is. Maar pas op, blijf ondertussen steeds beducht voor de zwiep van de koeienstaart waarvan je het uiteinde op ieder ogenblik ineens vol in je aangezicht kunt krijgen, en kijk uit voor het moment dat de koe, het getrek aan haar spenen beu, ineens en zonder verwittiging op stap gaat en die jou dan alleen achterlaat op je krukje, met tussen je bezwete knieën een emmer die nog niet eens halfvol is. Dan ben je niet alleen verbaasd maar ook vernederd door zo'n koebeest. Hoewel, wees blij dat je emmer dan niet omver ligt en dat al de kostbare melk niet op de grond vermorst en verspild is. Oef..", 24-25.
In het overzicht (met hoofdzakelijk 3- tot 7-woord-zinnen) van wat men in een mensenleven zoal doet komt melk uitgesponnen terug: ".. de Winkler Prins raadplegen (daar staan foto's en afbeeldingen in van Tibetanen die hun jaks melken, van Berbers die hun schapen melken, van Blauwe Mannen die hun kamelen melken, van Massai die hun langhoornvee melken, van Sardijnse herders die hun geiten melken, van Fulani die hun witte bultkoeien melken, van Lappen die hun rendieren melken, van Mongolen die hun paarden melken, van Aymara-indianen die hun lama's melken), ..", 90.
(Verheerlijking van) klei gediept uit moeder aarde verdoezelt onuitgesproken schaamte (over lage afkomst?) met daarnaast ".. witte klei waaruit door Gods hand eerst Adam is geschapen en pas daarna de vrouw, uit de rib van de man, in die volgorde en niet andersom, zegt de meester..", 66.
In derde instantie water, waarin de ik-persoon als kind haast verdronk. De verdringing, gemotiveerd door schuldgevoel, is hier omzeggens compleet. In het cruciale overzicht komt het (zoals het hoort) bovendrijven: ".. toekijken hoe drie autowrakken door de Civiele Bescherming uit het Albertkanaal worden opgevist en op het droge getakeld (een BMW, een VW Golf, een Fiat Punto - in een van de wrakken zaten de lichamen van twee vermiste mannen uit Sint-Truiden en Diepenbeek..", 92, ".. het verslag lezen van de zoekactie van 11 november 1986 in het kanaal Brussel-Charleroi die uitgevoerd werd onder leiding van het parket van Dendermonde (er werden door de duikers twee zakken bovengehaald met daarin een pistool 7.65 mm met rijkswachtinsigne, in stukken gezaagd en de slagpin eruit verwijderd, een Arminus kaliber 38, een .22 long rifle, een revolver 357 magnum, een Centaure kaliber 10, honderdvijftig patronen met Legia-eendenhagel, een babykoffer, een kogelvrij vest, stukgezaagde onderdelen van Beretta- en Ingram-mitrailleurs)..", 94.
Ik wacht geduldig, zoals ik reeds schreef, op de verwoording van die 'versie zonder woorden' - benieuwd welke lenteschoenen daar in voorkomen.
(Leo Pleysier, Dieperik, 2010)
Leo Pleysier over Dieperik
Erik de Smedt over Dieperik
Abonneren op:
Posts (Atom)


















