09-02-2011

Soulier 65 - 'vrouwen hebben de dood in de schoot, mannen in de borst'





























Je gewapend met schoen, brood en vijgenblad door Malte's Aantekeningen banen, geeft merkwaardig genoeg een samenvatting van Malte's problematiek. Malte, een naam die niet toevallig 'mal' omvat, is een levende dode, die zich nu eens identificeert met een heilige, koning of eenhoorn, dan weer samenvalt met niets, afval. Malte is een kwestie van alles of niets.

Ook de betekenaar schoen levert dit beeld op. "Scharlaken laarzen [van Karel de Stoute] .. met grote vergulde sporen", 110 en "diamanten gespen aan de schoenen [van Saint-Germain]", 87. Alles dus, óf afval, de armzaligste, niets. "De straat was te leeg, zijn leegte verveelde zich en trok mijn stappen onder mijn voeten vandaan en klepperde ermee rond, hier en ginder, als met een klomp", 9. "Ze [de uitgestotenen] zitten op de fluwelen banken, en hun voeten staan als grote lege laarzen naast elkaar op de roosters van de verwarmingen", 29. "En zie nu eens, wat een lot, ik, misschien wel de armzaligste van deze levende mensen, een buitenstaander: ik ben een dichter. Hoewel ik arm ben. Hoewel mijn pak, dat ik elke dag draag, een bepaald soort plekken begint te krijgen, hoewel op mijn schoenen wel het een of ander aan te merken zou zijn", 25.

De betekenaar brood wijst enerzijds op iets zorgeloos - een zeldzaamheid in Malte's Aantekeningen. "Hier en daar een pachterswoning of een boerderij, waar ik melk en brood en fruit kon krijgen, en ik geloof, dat ik zorgeloos van mijn vrijheid genoot", 21. "Ik zit hier en ben niets. En toch, dit niets begint te denken en denkt, vijfhoog, op een grijze Parijse namiddag de volgende gedachte: is het mogelijk, denk het, dat men nog niets werkelijks, niets van enig gewicht heeft gezien, onderkend en gezegd? Is het mogelijk, dat men duizenden jaren de tijd heeft gehad om te kijken, na te denken en aantekeningen te maken, en dat men die duizenden jaren voorbij heeft laten gaan als een pauze op school, waarin men zijn boterham eet en een appel? Ja, het is mogelijk", 17

Naast dit acht- en zorgeloze zit de betekenaar brood ook in de context van Malte's haast goddelijke verering van vrouwen, wat herleid mag worden tot de symbiose met de moeder (Malte's wanende moeder), en de hem herhaaldelijk overspoelende angst. Een [een] man "grijpt in de schuine zak van de oude overjas" en biedt de vogels "een onaanzienlijk stukje suikerbrood" aan, 47. Vrouwen daarentegen "hebben opeens een massa brood in hun handtas en steken grote stukken uit hun dunnen mantilla, stukken waarop een beetje gekauwd is, zodat ze wat vochtig zijn. Dat doet ze goed, dat hun speeksel wat in de wereld komt, dat de kleine vogels met deze bijsmaak rondvliegen, al vergeten ze het natuurlijk ook meteen weer", 48. "Voedsel in vaste vorm nam ze [Malte's moeder] niet meer tot zich, of het moest zijn wat beschuit of brood, dat ze, als ze alleen was, fijn maakte en kruimel voor kruimel opat, zoals kinderen kruimels eten. Haar angst voor naalden had haar toen al geheel in zijn macht", 50. "Wat een massa naalden zijn er toch, Malte, en waar liggen ze al niet, en als men bedenkt, hoe gemakkelijk ze er uit vallen .. ze rilde van ontzetting bij de gedachte aan alle niet goed vastzittende naalden, die ieder ogenblik ergens in konden vallen", 51. "Alle weggeraakte angsten [van Malte] zijn er weer. De angst dat een draadje wol, dat uit de rand van de deken steekt, hard is, hard en scherp als een stalen naald; de angst dat dit knoopje van mijn nachthemd groter is dan mijn hoofd, groot en zwaar; de angst dat dit kruimeltje brood, dat nu van mijn bed valt, als glas en in splinters beneden zal aankomen, en de kwellende bezorgdheid dat daarmee eigenlijk álles gebroken is, alles voor altijd", 39

Malte, een levende dode, die gedoemd is te blijven leven hoewel hij reeds gestorven is en niet eens kan sterven, "had je niet honderdmaal moeten beloven dat je niet zou sterven? Misschien was het de eigenzinnigheid van deze vreselijke herinnering, die van terugkeer tot terugkeer een plaats voor zichzelf wilde reserveren, wat zijn [Malte's] leven te midden van het afval rekte", 141, deze Malte heeft geen vijgenblad van doen, hoewel hij zich een enkele keer schaamt. "Ik schaam me ervoor, op te schrijven dat ik vaak in zijn nabijheid [de nabijheid van een armtierige krantenverkoper] met de anderen in de pas ging lopen, alsof ik geen weet had van zijn bestaan", 116. In plaats van schaamte wordt in Malte's Aantekeningen plaats geruimd voor de ander als belager, de bedreigende ander (wat eveneens te herleiden is tot de moeder). "Ze nemen hem [de jonge Malte] bij de handen, ze trekken hem naar de tafel, en al degenen die zich daar bevinden rekken zich nieuwsgierig uit tot vóór de lamp. Zij hebben het goed, ze zorgen ervoor donker te blijven, en op hem alleen valt, mét het licht, de hele schande een gezicht te hebben [lees: te leven]", 140. "Wie zijn deze mensen? Wat willen ze van mij? Wachten ze op mij?", 26. Malte is immers in zijn belevingswereld de schuldige. "[Mijn hond], die me eens en voor altijd beschuldigde. Hij was heel ziek. Ik knielde al de hele dag bij hem neer, toen plotseling begon hij te blaffen, stootsgewijs en kort, zoals hij dat gewend was te doen als er een onbekende de kamer binnenkwam. Een dergelijk geblaf was tussen ons voor die gevallen als het ware afgesproken, en ik keek onwillekeurig naar de deur. Maar het was al ín hem. Verontrust zocht ik zijn blik, en ook zocht hij de mijne; maar niet om afscheid te nemen. Hij keek me hard en bevreemd aan. Hij verweet me dat ik het had binnengelaten. Hij was ervan overtuigd dat ik het had kunnen verhinderen. Nu bleek dat hij me altijd had overschat. Er was geen tijd meer om hem in te lichten. Hij keek me bevreemd en eenzaam aan tot het was afgelopen", 93.

De hond heeft een speciaal statuut in Malte's verlangen. "En áls er dan al iets moet veranderen, dan zou ik toch tenminste te midden van de honden willen leven, die een met de onze verwante wereld hebben en dezelfde dingen", 33. Twintig bladzijden verder blijkt waarom: een hond weet wanneer een dode levend is. Lees: een hond weet tenminste dat Malte een levende dode is.  


(Rainer Maria Rilke, Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge / De aantekeningen van Malte Laurids Brigge, vertaald door Pim Lukkenaer, (1981 [1910])



Geen opmerkingen:

Een reactie posten