© Hanjo Schmidt
"Niet het leven gaat door maar de dood" (Heinrich Böll)
nu
ze dood is en zie hoe ze 'opgelegd' schrijft: de d met een staartje, de p en de g anorectisch omhoog, de o sluit zich boven. ze is nog niet doo-
het bedoelt je
de dingen, zingt Lady d'Arbanville, het windt je de hekel, probeert je de bocht die de borst nog bedaart en het grazende aandeel verdeelt in de dingen
in plaats van
de broekzak, de plaats waar het zeurt. het verkleurt je de vraag naar de maag van de dingen. je springt! het plafond is te laag - het staart je de honger met oorzaken aan, met
mazen als
muilen die willen gevuld [o garantie van adem]. het slaat je de wartaal want d met een staartje weet best dat de afspring van linten ontbreekt.
het keert je
de broekzakken om in een omweg [geklauter] naar vlechtere weg en het spaart je momenten, o lila verpand en ook lila verbrand, tot de o
van doo-
[van de dood die voor dode verspeelt
Posts tonen met het label Mors mortis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mors mortis. Alle posts tonen
30-06-2011
afield
09-02-2011
Soulier 65 - 'vrouwen hebben de dood in de schoot, mannen in de borst'
Je gewapend met schoen, brood en vijgenblad door Malte's Aantekeningen banen, geeft merkwaardig genoeg een samenvatting van Malte's problematiek. Malte, een naam die niet toevallig 'mal' omvat, is een levende dode, die zich nu eens identificeert met een heilige, koning of eenhoorn, dan weer samenvalt met niets, afval. Malte is een kwestie van alles of niets.
Ook de betekenaar schoen levert dit beeld op. "Scharlaken laarzen [van Karel de Stoute] .. met grote vergulde sporen", 110 en "diamanten gespen aan de schoenen [van Saint-Germain]", 87. Alles dus, óf afval, de armzaligste, niets. "De straat was te leeg, zijn leegte verveelde zich en trok mijn stappen onder mijn voeten vandaan en klepperde ermee rond, hier en ginder, als met een klomp", 9. "Ze [de uitgestotenen] zitten op de fluwelen banken, en hun voeten staan als grote lege laarzen naast elkaar op de roosters van de verwarmingen", 29. "En zie nu eens, wat een lot, ik, misschien wel de armzaligste van deze levende mensen, een buitenstaander: ik ben een dichter. Hoewel ik arm ben. Hoewel mijn pak, dat ik elke dag draag, een bepaald soort plekken begint te krijgen, hoewel op mijn schoenen wel het een of ander aan te merken zou zijn", 25.
De betekenaar brood wijst enerzijds op iets zorgeloos - een zeldzaamheid in Malte's Aantekeningen. "Hier en daar een pachterswoning of een boerderij, waar ik melk en brood en fruit kon krijgen, en ik geloof, dat ik zorgeloos van mijn vrijheid genoot", 21. "Ik zit hier en ben niets. En toch, dit niets begint te denken en denkt, vijfhoog, op een grijze Parijse namiddag de volgende gedachte: is het mogelijk, denk het, dat men nog niets werkelijks, niets van enig gewicht heeft gezien, onderkend en gezegd? Is het mogelijk, dat men duizenden jaren de tijd heeft gehad om te kijken, na te denken en aantekeningen te maken, en dat men die duizenden jaren voorbij heeft laten gaan als een pauze op school, waarin men zijn boterham eet en een appel? Ja, het is mogelijk", 17
Naast dit acht- en zorgeloze zit de betekenaar brood ook in de context van Malte's haast goddelijke verering van vrouwen, wat herleid mag worden tot de symbiose met de moeder (Malte's wanende moeder), en de hem herhaaldelijk overspoelende angst. Een [een] man "grijpt in de schuine zak van de oude overjas" en biedt de vogels "een onaanzienlijk stukje suikerbrood" aan, 47. Vrouwen daarentegen "hebben opeens een massa brood in hun handtas en steken grote stukken uit hun dunnen mantilla, stukken waarop een beetje gekauwd is, zodat ze wat vochtig zijn. Dat doet ze goed, dat hun speeksel wat in de wereld komt, dat de kleine vogels met deze bijsmaak rondvliegen, al vergeten ze het natuurlijk ook meteen weer", 48. "Voedsel in vaste vorm nam ze [Malte's moeder] niet meer tot zich, of het moest zijn wat beschuit of brood, dat ze, als ze alleen was, fijn maakte en kruimel voor kruimel opat, zoals kinderen kruimels eten. Haar angst voor naalden had haar toen al geheel in zijn macht", 50. "Wat een massa naalden zijn er toch, Malte, en waar liggen ze al niet, en als men bedenkt, hoe gemakkelijk ze er uit vallen .. ze rilde van ontzetting bij de gedachte aan alle niet goed vastzittende naalden, die ieder ogenblik ergens in konden vallen", 51. "Alle weggeraakte angsten [van Malte] zijn er weer. De angst dat een draadje wol, dat uit de rand van de deken steekt, hard is, hard en scherp als een stalen naald; de angst dat dit knoopje van mijn nachthemd groter is dan mijn hoofd, groot en zwaar; de angst dat dit kruimeltje brood, dat nu van mijn bed valt, als glas en in splinters beneden zal aankomen, en de kwellende bezorgdheid dat daarmee eigenlijk álles gebroken is, alles voor altijd", 39
Malte, een levende dode, die gedoemd is te blijven leven hoewel hij reeds gestorven is en niet eens kan sterven, "had je niet honderdmaal moeten beloven dat je niet zou sterven? Misschien was het de eigenzinnigheid van deze vreselijke herinnering, die van terugkeer tot terugkeer een plaats voor zichzelf wilde reserveren, wat zijn [Malte's] leven te midden van het afval rekte", 141, deze Malte heeft geen vijgenblad van doen, hoewel hij zich een enkele keer schaamt. "Ik schaam me ervoor, op te schrijven dat ik vaak in zijn nabijheid [de nabijheid van een armtierige krantenverkoper] met de anderen in de pas ging lopen, alsof ik geen weet had van zijn bestaan", 116. In plaats van schaamte wordt in Malte's Aantekeningen plaats geruimd voor de ander als belager, de bedreigende ander (wat eveneens te herleiden is tot de moeder). "Ze nemen hem [de jonge Malte] bij de handen, ze trekken hem naar de tafel, en al degenen die zich daar bevinden rekken zich nieuwsgierig uit tot vóór de lamp. Zij hebben het goed, ze zorgen ervoor donker te blijven, en op hem alleen valt, mét het licht, de hele schande een gezicht te hebben [lees: te leven]", 140. "Wie zijn deze mensen? Wat willen ze van mij? Wachten ze op mij?", 26. Malte is immers in zijn belevingswereld de schuldige. "[Mijn hond], die me eens en voor altijd beschuldigde. Hij was heel ziek. Ik knielde al de hele dag bij hem neer, toen plotseling begon hij te blaffen, stootsgewijs en kort, zoals hij dat gewend was te doen als er een onbekende de kamer binnenkwam. Een dergelijk geblaf was tussen ons voor die gevallen als het ware afgesproken, en ik keek onwillekeurig naar de deur. Maar het was al ín hem. Verontrust zocht ik zijn blik, en ook zocht hij de mijne; maar niet om afscheid te nemen. Hij keek me hard en bevreemd aan. Hij verweet me dat ik het had binnengelaten. Hij was ervan overtuigd dat ik het had kunnen verhinderen. Nu bleek dat hij me altijd had overschat. Er was geen tijd meer om hem in te lichten. Hij keek me bevreemd en eenzaam aan tot het was afgelopen", 93.
De hond heeft een speciaal statuut in Malte's verlangen. "En áls er dan al iets moet veranderen, dan zou ik toch tenminste te midden van de honden willen leven, die een met de onze verwante wereld hebben en dezelfde dingen", 33. Twintig bladzijden verder blijkt waarom: een hond weet wanneer een dode levend is. Lees: een hond weet tenminste dat Malte een levende dode is.
(Rainer Maria Rilke, Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge / De aantekeningen van Malte Laurids Brigge, vertaald door Pim Lukkenaer, (1981 [1910])
03-06-2010
Gorilla gorilla, into, to
© Angus Fairhurst, Pieta, 1996
(Overzichtstentoonstelling van de betreurde Fairhurst, one of the Young British Artists in Museum M, Leuven, tot 12.09.10)
1
He couldn't possibly
come for
the muscle-bound naiad
was still (even
at dead of night)
afar
2
Forty-five
noisy side-drums
3
A needlepoint
the size of a mosquito
4
Dressed
in graveclothes-face
he stared into vacancy
of dreams.
He ate his f-
ace
02-06-2010
Always the mother VII (christ aux seins)
Anonyme, XVIième siècle, Le christ mort aux seins de femme
(De 16de eeuwse mystici schrokken er niet voor terug christus van baard en borsten te voorzien. Te bekijken in Hôpital notre dame à la rose te Lessines, bedacht met de museumprijs 2010)
Het verlangen van de harmonie
"de witte machine van het leven"
We zijn allemaal bewoners, van de ene
of andere soort : huurders, eigenaars,
gasten. En wat ertoe doet
doet ertoe voor de meesten van ons.
In de gang krimpen we gealarmeerd
zijdezacht ineen - komt daar iemand ?
Maar wachters in boa ontvangen ons.
Men vertelde dat we een opdracht deden,
het onderwerp waren, de topic. In feite
maakte het een klein verschil
doch te gering om ons te storen of verstillen.
Concluderend, wellicht juist, van welke slag
wij waren, tekende jij voor gezien.
Het was oké om zich van alles toe te eigenen
maar niet om het te begeren.
(John Ashberry, Loning of the accords / Het verlangen van de harmonie, vertaling door Ton van 't Hof)
Longing of the accords
"life's white machine"
We're all tenants, of one kind
of another : lodgers, proprietors,
houseguests. So what matters is
what matters for most of us.
We shrink in silken alarm
in the corridor - someone is coming ?
But boa-clad ushers receive us.
We were told we were on message,
were the subject, or topic. In fact
it made a little difference
but not enough to disturb or quiet us.
Concluding, perhaps rightly, we
were of the one or other sort, you signed off.
It was ok to take everything,
though not to want it.
01-06-2010
Always the mother VI (Louise Bourgeois)
"Maman is een spin", Louise Bourgeois
Mens herken hul van ver en van vroeër : altyd in rep en roer,
altyd die bekende rumoer. Of ons nie te koud kry nie
miskien, dat ons ons truie toe moet knoop, dat ons
van daardie slegte vriende liewers weg moet bly. Ensovoorts,
ensovoorts. Hulle is van oordosisse versigtigheid vervul,
van lewenslange ensovoorts, rare roeringe in buik en boesem.
Opvallende besonderhede, eeueoud van eenvoud : spermavlekke wat hulle
stil, met dromerige oë uit die lakens van hul seuns uitwas,
meisies wat hul halsoorkop uit die vroue uit moet vee
wat hulle intussen ook geword het. Dit kan in goeie ma's
geweldig snee, veral wanneer geen mens
dit ooit verwag, begin november, sodra die gestorwenes koning kraai.
Hulle gee aan kleuters wolserpe en moffies mee. Piesangs.
Iets weerbaars teen trane. En van hul eie ma's, wat hulle
al hoe meer ontglip, raak hul die laaste moeders. Tot hulle
die hande wantrou wat hul nie langer vas kan hou nie.
November word dit nooit nie, november breek aan. Soos aand.
Lug verplaas sy diepste rooi in blare van beuke en eike
en vanweë alles wat hul nie meer vas kan hou, hou hy op :
hul wêreld van ensovoorts, en so voort tot die dood.
(Luuk Gruwez, Moeders, uit : Lagerwal, 2008, 9, vertaling door Hennie van Coller)
(Nederlandstalige versie)
("It's not a torment to be an artist, it's a priviledge", Louise Bourgeois)
28-02-2010
+ 49, net geen 50 (blijf maar / on8zaam)
© Philip Haas (the young James Ensor at mardi gras)
Zo zet ik dan de ramen op
de cirkelgang van deze dagmaat
open, besluit de ruimte die in
steenslag kan ontstaan. In licht
gedempte kelders wil ik slapen,
nog niet verzonken in een graf
van louter gras, maar ongedurig
wachtend of onhandig kiezels
rapend om aan oevers op te
springen zonder schutkleur
in het riet. Blijf maar
onachtzaam : ik ben de enige
die het tenslotte
niet meer ziet
© Erik Heymans, uit : Dagmaat, 1984
26-02-2010
Dunkle Stelle
27-11-2009
De dood als fallische moeder
De dood als een mooi maar vilein wijf
© Roger Raveel, Requiem
"Je kunt de dood natuurlijk voorstellen als een soldaat met bajonet, maar ik heb de dood altijd proberen te verbeelden als een mooi, maar vilein wijf, wreed en gemeen" (Jeroen Brouwers)
('Nieuw Requiem' met nogal wat hoorns en blazers, een sopraan, die halverwege de voorstelling haar stiletto's uitschoot - ik veronderstel dat ze knelden. Verder Brouwers' ketterende reflecties, op verscheiden en frêle doodsprenten van de hand van Raveel. Rechts van mij, de lauwwarme geur van look, deSingel, 26.11.09)
Abonneren op:
Posts (Atom)








