Jan van Eyck kon je mij niet geven
want Van Eyck gaf mij al aan jou.
De hond die wij niet hebben
kwispelt onze handen hier bijeen.
De kroonluchter is kleiner
dan mijn grote zwarte zware hoed.
In de niet-van-onze spiegel krimpen
wij frêle opgebold tot schildersoog.
Mijn schoeisel heb ik uitgetrapt.
In een klein gebaar hef ik mijn vrije hand.
Jij bent niet in verwachting
van het kind dat Jan van Eyck
ons overreikt. Het plooiend groen
spiegelt de naden in je ziel. Geen kunstenaar
die zo met onze hedendaagsheid speelt.
Doen wij hier thuis aan fruit?
Er liggen perziken vlak bij ons open raam.
Iemand heeft iets op de muur gezet.
Een tag, annonce, plaatsbepaling:
Jan van Eyck ziet ons doorluchtig
en doorzichtig spiegelbeeldend aan.
Ik ken mijn antecedenten niet. Jij
zult wel Beatrice zijn. Je bent vooral vrij.
(Joost Zwagerman, Voor alles, Gedichten, 2014, 49)
Jan van Eyck, Huwelijksportret van Giovanni Arnolfini en Giovanna Cenami
Jan Van Eyck,
De Arnolfini-bruiloft (1434)
Dirk van Bastelaere / Jan van Eyck
1
Ze cirkelen traag door de gotiek
Van de leegte. Een paar voor de tijden
De handen opeen.
Zijn hoed is een onding
Dat de dood niet belemmert en de val
Van de stoffen laat zijn lichaam vermeend.
Zo wil ik denken dat het toen al
Wegbleef en wellicht,
Geheel anoniem,
In een kerkvloer van hardsteen verviel.
2
Dit paar uit het elders,
Van perfectie verwezen,
Het zal bestaan
Door de man in het midden
Zich noemend Van Eyck
Bood hij zich aan als getuige.
Ook nu in die opstelling
Smokkelt hij zich de tijd uit;
De bolronde spiegel weet hem te bewaren.
Dat men kan zeggen, turend
Naar binnen : dank zij afzijdigheid
Zal hier zijn geweest
De spiegelman Dirk van Bastelaere.
(Dirk van Bastelaere, uit: Pornschlegel en andere gedichten, 1988)
[81,8 x 59,7 cm]
quelque chose se règle: het kost
abri- / kozen geen moeite
te veinzen (te veinzen?)
een j —
een wijdlopige j (dynamiek van het lid-
woord), de naam, zijn expansievermogen,
een acrobatiek in het — zegt u het maar — het bekende:
het ik en wat verder de ik-idealen,
kunstmatig begroot: j’apparais
au miroir, donc
j’existe?
c’est le voir dans pou- / voir, cher van Eyck?
wel, daar gaat het niet om, kaart u aan?
geen brokaat zonder goud? geen
gezwollen verschil in een cirkel gezet?
er werd rukwind voorspeld,
geen verschonende zakdoek, noch zalf —
le miroir susceptible de choir
tussen kwast en
geprangd tussen kwast en
een halfrode boksbal vertaalt haar gelaat
le mépris, die God- / ard (dat mag blijken) kopieerde,
in naaktscènes goot — B.B. bloot
c’est le ça dans sça- / voir?
slechts de spin die Bourgeois, die Louise (dat bleek
en terecht) al vermoedde, maman, is absente
of afwezig or gone
ou mangeons le produit, donc,
son voile est blanchi par des ans? terwijl
[opbiechtend] bloed door het bed wordt weerspiegeld?
Gi- / o- / vanna
Gi- / o- / vanni
dynamiek van de slash
en een oplichtend spel in dit kanselgedicht — er werd
rukwind voorspeld / en een vonk
die slechts vonkt als het avondrood blauw is:
le chien pavlovien,
sécrétion salivaire,
programmatisch gekwijl,
relatif à Pavlov (dat zou blijken), verbindt,
vangt het licht dat in glansrichting strijkt,
mijdt de wasbeer in wasco
die troont in de blik
hij kijkt op, zij [is sunblock,
haar hoofd staat nog los] eerder neer
hypotheses op poten,
hoe heet dat alweer? hij kijkt neer
met een scheefstand van ogen, gekamd
door de ronding, op iets, op een schim
die zij fris ondermijnt
werd de breintocht,
de bruintint van lichaam en -seigen besef
hier misleidend bedekt met een hoed
die [het lid- / woord] benadrukt?
de messing verlicht?
compenseert?
compenseerde?
de boksbal hangt stil,
quelque chose se règle —
des voeux aveuglants se succèdent
et choient
les souliers ne soulagent, passage
van ding, eromheen, naar object, à l’objet
fétichiste, eromheen, eender hoe,
is semantische inteelt (zo bleek,
in de twintigste eeuw)
reducerend duel met zichzelf
in een waaier essenties: de hand
— comme des gestes gesticulent! —
anorectisch geheven, zo
fijn dat de daadkracht verkleint, mais
le suc ne suffit, liet de blinde
met borsten (reeds eerder) verstaan
dan maar acrobatiek
van de handpalm, er rond,
eromheen, hand-in-hand-
fenomeen, eender hoe
c’est le voir dan sça- / voir?
kiekeboe?
zo
de uren p.m.
als het knagen blijft duren,
geen hoop [crystal meth]
maar het werkt,
al zo lang,
als confettigordijn
c’est pourtant la lumière
qui déborde, dépasse, à la fois
obscurcit l’abri-
cot [à côté de la vie]
(ds, ongepubliceerd)
28-11-2014
3 Arnolfini’s: J. Zwagerman (perzik), D. van Bastelaere (zonder ooft), ds (abri- / koos)
27-11-2014
000000 0000 01
LA VIE: SONNET
000000 0000 01
011010 111 001
101011 101 001
110011 0011 01
000101 0001 01
010101 011 001
010111 001 001
010101 0001 01
01 01 01 0010 11
01 01 01 01 01 11
001 001 010 101
000 1 0 1 001 00 0
0 0 0 0 0 110 0 0 0 101
0 0 0 0 01 0 0 0 0 0 0
(klankgedicht, Jacques Roubaud)
25-11-2014
✽ all ✽ i ✽ want ✽ 's ✽ a ✽ good ✽ 5ç ✽ seegar ✽
© Jerome Rothenberg
heeheeHOHOheehee, the recording of the author
and his dutch translator Jan H. Mysjkin,
1986, Poetry International Festival, Rotterdam
24-11-2014
08-10-2014
Franciscus van assisië, een "banaan van zoete vergiffenis"
Lof-litanie van den H. Franciscus van assisië
Voor mijn vriend, in mijn leven:
poolnaad - schroef - avondangelus.
Franciscus die arm waart, bid voor mij. Mijn weekgeld sterft
reeds zondagavond in rozenblaadjes op mijn kamer.
Franciscus die dichter waart, bid voor mij die m'n lange jonge
lokken uitstreek tot harden helm van idealistischen weerstand.
Franciscus die jong waart, laat jeugd bij me blijven: Voedster
die oud nog dezelfde grapjes vertelt als toen we onmondig
waren. Laat ons dan even gul lachen - en niet uit medelij.
Franciscus die boomen en dieren en alles begreept, geeft dat
ik mijn vrienden en geliefden begrijp.
Franciscus die liefde genoeg had om niets te versmaden, open
mijn hart als tolvrije stadspoort voor alle vreugd en alle pijn.
Franciscus die den Kosmos in u droegt en hem doorkneedde
met den deesem van uw eigen begrijpen, geef mij het zuivere
inzicht
Franciscus die zoo warm om me zijt in avondlof als den
eersten beet in malsch versch brood, bid voor mij.
Franciscus in wiens leven plotse afgronden zijn van stilte, als
voor wie over koele keldermonden gaand den geur van riekende
appelen opstijgen voelt, maak mijn adem rustig en krachtig.
Franciscus in wiens leven bergen van licht zijn, zoo
heerlijkgloedwarm als den zoetroomigen geut van pastijbakkerij.
Franciscus wiens stem ik soms meen te hooren naief en
geduldig in den melopee-roep der dagbladventers, gij die roept
het Eeuwige Nieuws: de waarheid. Franciscus, eenige heilige
wiens beeld men ons niet gecamoufleerd heeft met schreeuw-
kleuren van flauwe romantiek,
bid voor mijn geliefden en mij.
Franciscus, man uit één stuk, ideaal van eerlijkheid, bescherm
ons die den scheldnaam dragen van idealisten omdat we
een volk willen worden.
Franciscus die voor ons staat met de harde blijnen van
zaligend werk, op uw ranke lichaam, geef ons den moed
voor werk.
Franciscus die de wereld ingerukt zijt, weg uit de oase der
verlauwing, met den wilden zegekreet van een sneltrein,
heerscher der diepten,
Franciscus, handgranaat van rechtvaardigheid, die sloegt
muren van schijneerlijkheid aan stuk, tot elke steen bloedde van
rood berouw.
Franciscus die de hoogmoedige zielen verbrijzelde tot
vernedering: maar de lage bloem is meer dan het hooge onkruid,
Franciscus die, wilde hengst van dartelheid, plots op hol
sloegt van ontzaggelijk verlangen naar de breede vlakte van
God,
bid voor ons allen die bekneld zitten in
banden van verknechting en minderwaardigheid.
Papaver van liefde in het egaal-geele veld der
onverschilligheid,
Zonnebloem van hartstocht in den tuin der sluipend-luie
ranken,
Roos van zoetheid midden scherp-zwoele geuren van violen,
Luide cello van hartstochtelijke extase,
Heimwee van smeltende teerheid,
zo zijt ge o Franciscus,
Gij, wiens beeld door soms dorre woestijnen van leven is als
kindergelach in mijn dood bureel - het rijt der donkerte van de
wanden.
Krachtige toren van jubel.
Als op lentefoor in lachpaleis van zaligheid, onstuimige
danser,
IJle klokkeklank die m'aanvaart op windewiek,
Nachtegaal en leeuwerik van lof,
Rechte heirweg,
Avondstraat,
Allerluidstluidende klok,
Banaan van zoete vergiffenis,
Bloedende geranium,
Nachtelijke vuurpijl,
Vlammenpyramide,
Zomermiddagzon,
Alte Weise van hemelheimwee,
Zee,
bid voor ons allen, die het geluk zoeken in rust,
Ik zag u,
een ijle spitsboog van magerheid uw lichaam,
een speldekussen van boete uw zingende borst,
een gloeikous van wit licht uw mager gelaat.
en
door koude woud van mijn jonge ziel, getoet plots als van
een romantische jachthoren,
door avondstraat van vrede, laaie suizen van rood-helle tram,
door mistig rotspad geweldig hoornen van postkoets,
door hunkervlakte van onbewustheid: mijn leven, uw leven
plots als een
tragisch rood-gestempelde expressbrief in een wit begijnhof,
maar simpel als een volkswijs, flinke Madelon- genot
voor duizenden
en simpel als kinderdans midden volksbuurt,
en simpel als sleebellen door sneevlakte,
zoo zijt ge O Franciscus
Maar bij smart,
uw oogen als plotse fanalen,
uw stem als autosireen,
naar den afgrond aller liefde toe, naar God, neem me mee,
lijk, los van de ree, gerukt wordt een schip,
een harde slag, een dappere baar,
weg van het strand,
naar het heerlijke land, van OVERZEE.
Heilige, groot-heilige Franciscus, hier zijn de morzels van
mijn hart, meer
heb ik niet - de woede honden van jeugd-dagen hebben alles
verslonden,
hier is de koelheid van mijn klamme haren,
hier is de zwakheid van mijn zwervende voeten,
hier is de ijdelheid van mijn praatgrage tong,
Ik breng u het ellendig beste dat ik heb,
de myrrhe van mijn woorden,
de wierook van mijn vereering,
en het armzalige goud van mijn liefde
Maar ook het beste dat mijn ziel gebouwd heeft draag ik u op.
de nagedachtenis van mijn vader,
de ernstige gestrengheid van mijn moeder,
de hunkerende weltschmerz van mijn broer,
het zoete zwijgen van mijn meisje,
en de heerlijk-weemoedige ironie van mijn vriend.
Franciscus voor U heb ik mijn mooiste woorden uitgezocht,
mijn schitterkralen, die uitspatten voor de bestofte moeheid
uwer voeten als koele zeepbellen, evene laving uwer gloedende
teenen.
Ik bid u verhoor mij Franciscus,
Gij die een wolf hebt getemd, help me de groote huilbende
van mijn hartstochten te temmen,
Gij die de zon bezongt, laat me mijn leven moduleeren op een
zachte rhythme van innigheid,
Gij die meer dan de kunst van sterven ook de kunst van leven
verstond,
laat me het leven loven, en den dood verwachten als een
roerlooze boom de bijl. Pal.
Franciscus die voor de visschen prediktet, laat me ook zingen
doelloos in de menschen
Gij die uw lijf beborduurdet met het fijne geduld der
geeseling geef mij mijn dagelijksche pijn,
Gij die U niet schaamdet naakt te staan, geef me den moed in
de naaktheid van mijn woord voor de Farizeërs dezer wereld te
treden,
Gij, die kerken gebouwd hebt en moeizaam elke steen zocht,
geeft me den moed uit de verveling der dagvrachten het gulden
huis van mijn rust te bouwen.
Geef me, Franciscus de gaaf des gebeds,
Mijn ziel is als een trillende vlieger, hunker naar wolken,
Weze uw aandenken de onontbeerlijke olie,
Weze uw steun de koenheid die het looping the loop
ondernemen doet,
Weze uw woord mijn veilige valscherm door luchtlagen van
laffe zoelheid,
Weze uw mond de bronzen klok van zekerheid. Op haar
betrouwen de
menschen om de luiken te sluiten op hun rust. Geef aan mijn
moeder lang leven,
Geef aan mijn broer rust,
Geeft aan mijn vriend kracht,
Geef aan mijn meisje alle geduld,
Geef me smart om van te zingen,
Geef me tranen van ontroering,
en - laat me vragen drie dingen - niet waar?
vooral en vooreerst - geef aan ons allen en geef aan mij, een
vaderland om te beminnen,
Geef, - en hier smeek ik u ‘de profundis’ van walg - dat de
menschen elkanders Vaderland leeren beminnen,
Laat de wereld worden een gansche vreugde van witten vrede
en algeheele communie, gelijk uw blije naakte lijf toen gij stierft.
O mijn vriend, mijn broer, mijn heilige vader. Franciscus.
Amen.
Oogst 1919
Marnix GIJSEN
(opgemerkt door Erik de Smedt in Grenzen van de avant-garde)
01-10-2014
geen banaan, hij bekent
© John Baldessari
ZWIJGPLICHT
Zit het beest, een dwingeland,
hen in het bloed? Pijnlijk
lopen, vliezen op de voet.
Tegenwind. De mond gepropt
met stekels uit de zuiderkant
van de bitterplant. Gebit snoerdicht
op slot gekrast: geen kaken te breken;
geen woordgeheimen prijs te geven.
(Gwy Mandelinck, Lotgenoten, 2014, 36)
26-09-2014
24-09-2014
au creux du cocon
© Grzegorz Przyborek
het beukt, het beukt zon
op een mistlaag
op stikgaren — touw is hem vreemd
welke vreemdeling, blind
maar gehavend, zou stiknaald
zijn stiknaaldenlip of zijn hier
en -ogliefen [met trema] ontgaan?
hij ontrafelt het dier,
elektroden op groen, en verduistert
het heden, jongleert
als de klim van de klaver
naar biezen die nemen, de rug,
witte rug, shocking blue, er is
nood aan gebrek
en een lekkend bewijs
het beukt maan
want een vrouw is zo zacht
omdat wachten haar vreemd is,
vermoedt hij, ze richt en speelt in,
daagt [de hersenen] uit,
een legale constructie, hoe anders
is vee als hij taalt naar vertaling
la voie/x est marquée avec voir,
le regard — het onttrekt en rukt los,
in een aanzet (de vouw in een plooi
inclusief een baldadig o-
ranje, die Götter von heute, besoin
de comprendre comment
ça fonctionne) vindt hij weelde
en leegte of ruis, shocking shy
kolen wit, kolen groen,
kolen rood (in het hoofd
van de zwijger genaaid), kolen zwart
23-09-2014
De quoi habille-t-on sa propre énigme?
Réalisateur de clips, Jonathan Glazer affiche une sensorialité exacerbée dans son nouveau filmUnder the skin, librement adapté du livre de Michel Faber.L’esthétique froide et épurée trouve sa force dans les paysages écossais qui viennent répondreaux lignes de la peau. À la place d’un récit élaboré, Glazer propose une expérience puissantequi, portée par une bande son inquiétante, confronte le spectateur à l’étranger qui l’habiteet par-là à sa propre solitude.Sous la peau, que pourrait-on y voir ? De quoi habille-t-on sa propre énigme ?Tourné en partie en caméra cachée, ce film ouvre un nouveau genre cinématographique mêlantdocumentaire et science-fiction. Le personnage principal interprété par Scarlett Johanssonest un alien recouvert de peau humaine, circulant à bord d’une camionnette, vêtu d’un manteaude fourrure et armé d’un rouge à lèvres, qui accoste de façon aguicheuse des hommes seulsau prétexte de demander sa route.Dans une interview, l’actrice explique l’importance pour le réalisateur de ce regard étrangerporté sur l’espèce humaine. Ainsi l’alien répète-t-il inlassablement les mêmes questionsà ses proies. D'où venez-vous? Où allez-vous? Avez-vous une petite amie? Êtes-vous seul?La route de cette « femme », nul ne la connaît, le spectateur ne sachant ni d’où elle vient nioù elle va. On peut penser au film Drive dans lequel l’antihéros chargé d’une mission,- un homme sans passé et sans nom -, file dans la nuit à bord de sa voiture faisant officede pseudo-corps. Elle attire tel homme à l’accent étranger ou tel autre qui présente une mal-formation au visage, à l'intérieur de maisons où le spectateur ne peut porter son regard.Chacune de ces séquences où la rencontre sexuelle pourrait se produire comme point d’orguede la traque, se déroule dans un lieu noir coupé de l’espace-temps. L’homme, à l’organetumescent, suivant cette nymphe funeste qui l'attire en s’effeuillant, finit par se laisser engloutirdans un lac de liquide noir. Happé, noyé, ne rattrapant jamais cette fascinante créature,il ne peut qu’y laisser sa peau.Ce n'est qu'au moment ou elle consent a libérer l’homme au visage déformé, reflet de l’alienpalpitant sous cette peau, à en être affectée, puis à ce qu'un homme tombe amoureux d'elle,que son énigme resurgit de façon paroxystique. Elle bondit au moment de la pénétration,dans l’étreinte, en essayant en vain de voir à l’aide d’une lampe ce qu'il y aurait là, logéà l'endroit où le regard achoppe.La révélation finale du film, – présente dans le synopsis -, quant à la provenance extra-terrestrede cette créature n’en paraît que plus logique. Elle incarne ce qu’il y a de plus Autre par rapportà l’homme et a sa jouissance, mais surtout par rapport a soi-même.Lacan nous enseigne que « Ce qui parle n’a à faire qu’avec la solitude, sur le point du rapportque je ne puis définir qu’à dire comme je l’ai fait qu’il ne peut pas s’écrire ».L’absence de rapport sexuel confine l’être parlant dans la solitude.Chacun des hommes de ce film répond à son dérangement par l’habillage de la solitude.Source de souffrance, certes, la solitude s’offre avant tout comme réponse au dérangementrencontré par chacun dans le lien social, dans la langue ou dans le corps.Ainsi cet homme qui dissimule son étrange visage à l’aide d’une capuche, ou bien encoreun autre qui sort de l’eau vêtue d’une combinaison de plongée et qui répond à cette femmequ’il est parti de son pays et venu ici car « ici, c'est nulle part ».
(Yohann Allouche, Under the skin: au creux de la solitude)
21-09-2014
geen bananen geen appel geen peer, wel een splash
© Rose Wylie
AURELIA AURITA / FELIX BAUMGARTNER
Ik val
Als een idee
Van glas val ik
Wijnglas tussen mijn wijsvinger en duim
Door het glazen tafelblad valt het wijnglas
Tussen mijn voeten door de vloer
En tegelijk weer door het plafond heen
En weer
Tussen mijn wijsvinger en duim, tafelblad, vloer, plafond,
En telkens de splash in het tafelblad
Almaar sneller tussen wijsvinger en duim, tafelblad, vloer, plafond,
Tot ik zo snel
Dat alleen nog de splash in het tafelblad
Als een idee
Van een glazen kwalletje
Gewichtloos hangend in het donker van de oceaan
Open- en dichtgaat als een hart,
Lichtgevend.
Eeuwig
Lichtgevend
Eeuwig
De splash aan boven- en onderkant van het tafelblad.
(Peter Verhelst, WIJ TOTALE VLAM, 2014, 22)
20-09-2014
de roerdompbanaan
© Kayankwok
Boven de kringloop van regen en baby's vliegt de roerdomp.
De roerdomp heeft niets met dat alles te maken.
Met de kringloop van granaten, bananen, offers, slijtage
heeft de roerdomp niets te maken. Daar moet duidelijkheid over bestaan.
Hij gelooft zelfs niet in kringlopen, de roerdomp.
'Ieder rad is bedoeld om iemand voor ogen te draaien,'
zingt hij (wat schor van de kou op die hoogte)
(Maarten van der Graaff, Vluchtautogedichten, 2013, 19)
19-09-2014
geen bananen geen fruit, wel een man — op zijn grootst
18-09-2014
nu in handige meeneemverpakking
Wij zijn nu sinds een week
een paar en ik ben blij met jou.
Er hoeft niets aan jou te ver-
anderen. Blijf. Blijf ook wie je
bent. Alleen hoe je een peer
schilt moet anders. Je doet
dat wel aandoenlijk, maar
ontzettend onhandig. Je kùnt
een peer niet rondom schil-
len! Deel hem in kwarten,
haal dan pas de schil eraf en
snijd het klokhuis eruit. Of
laat mij het doen. Ik zal een
peer voor je schillen. Ik zal al-
tijd een peer voor je schillen.
Wij hebben in onze
overheerlijke fruit-
yoghurts een aard-
bei verstopt. Vind
hem, maak de slag-
zin af en win fantas-
tische prijzen. Zoek
het fruit is een van
die waanzinnig leu-
ke acties van Zui-
velineⓇ, borden vol
calcium en vitamine.
Zeg, kun jij mij even helpen? Ik heb een patiënt die
van de ene op de andere dag het woord
niet meer kan zeggen. Het is uitsluitend dat ene
woord dat hij kwijt is. Hij struikelt er niet over en
hij stottert niet; het woord is gewoon geheel uit zijn
vocabulaire verdwenen. Heb jij ooit zoiets meege-
maakt? Ik weet niet hoe ik hem moet helpen. Strikt-
genomen is het niet zo'n ramp dat hij nu toeval-
lig dat ene woord niet kan zeggen, want met alle
andere woorden heeft hij totaal geen probleem.
Hij kan het overigens wel omschrijven, zodat zijn
vrouw begrijpt wanneer hij er een wil, maar het is
toch een beetje raar als je zoiets gewoons als een
moet omschrijven. Ik heb de encyclope-
die erop nageslagen en op internet gezocht maar
ik kom er niks over tegen. Weet jij wat voor ziek-
te het zou kunnen zijn en of het besmettelijk is?
(Ted van Lieshout, Nu in handige meeneemverpakking, 2013, 16, 59, 101)
17-09-2014
geen bananen geen fruit, en geen mening
© Alicia Kwade
GEEN MENING
Vraag niet om mijn mening
ik heb vandaag geen mening
over hoe de aarde draait
of hij wel de goede kant uit draait
de hoed van de hofdame
of die haar wel staat
hongersnood in Afrika
of die wel lekker smaakt
over dit over dat
de debuutroman de nieuwe yoghurtdrank
de leugen van de minister
de kleur van je haar
de hoogte van de minaretten
het lettertype de Europese Unie
het onthullende tv-programma
bevrijd van mening
draai ik licht als een veertje
met alle winden mee
(Remco Campert, Licht van mijn leven, 2014, 41)
16-09-2014
bananenboot, één
© Redmer Hoekstra
bananenboot
tot in de gaatjes van mijn bowlingbal zoek je geld
je schrijft veel te lange gedichten die je zelf niet begrijpt
over weltschmerzkwekers schijnhijgers twijfelstrelers
in bed klaag je over borstmospluisjes op straat roep je
zebrapadvermijders na chronisch flirtbestendig toon
je de wereld je doordramkwaliteiten doe maar verveel
ons met je dwangneuroses met je dwarsliggersstatuut
ooit komt de dag dat iemand je varkensneus verwart
met een stopcontact de tijd loopt messen worden gewet
duik onder in cement eet een lolly van asbest en vaar weg
op de bananenboot je serveert me elke avond dezelfde
oude tranen terwijl ik al jaren op iets anders hoop
(Andy Fierens, Wonderbra's & Pepperspray, 2014, 49)
15-09-2014
geen bananen geen fruit (de mond zit te hoog), wel een fonds voor herstelbare vrouwen
Ongewenst
Hoe is dit kind er gekomen? Vanzelf
vanonder een steen in het licht gekropen?
Natuurlijk niet, het kwam uit haar mond,
met geweld. Uitgespuwd in bloed en stront,
weggeschopt uit een opgelicht donker.
Als het gejammer van god, lieve god
zweeg, hing in de kamer een stilte, koud
als haar oog. Dan de borst, noodgedwongen.
Zo kwam het kind. Iedere nacht wordt
de geboorte herhaald, achter de ogen
waar het ontwaakt. Iedere nacht staat het op
en neemt uit zijn hoofd het geweer.
De haan spant zich op.
Waarna uit het kind zich een ander ontpopt.
(Charles Ducal, De buitendeur, 2014, 23)
14-09-2014
geen bananen geen fruit — wel veel dood bij Verdoodt
bij 'Ophelia' (John Everett Millais)
dit is onmiskenbaar mijn gelaat
wat drijft daar onder de wilgen
en maakt haar lijf
tot ongewiede tuin
geen man die opklimt aan haar benen
maar kruid dat om haar lenden windt
de knoppen van haar borsten klappen open
en haar longen dicht
water verdunt de herinnering
de zon loopt als een ei
over haar uit
wie roeit haar
naar de overkant?
een argeloze hand
ik vraag mij af
of mijn haar ook onder de aarde
door zal groeien
(Sofie Verdoodt, Doodwater, 2014, 7)
08-09-2014
ce qui poste [de bril dood, ogen schraal]
© Mr Finch Textile
1
[tandis que des dindes se tuent ou jouissent et ne craignent]
un pré
l'étendue
pas de pré-
adamites, ni de sang de reptiles,
ni de pas [pré-
visibles]
pas d'eau, pas d'
audace,
ni de Pan,
ni de dos
pas de blé,
ni de fil ou de ligne
de fer barbelé,
pas de fins
c'est ce pré, qui est pré-,
préalable —
un pré (comme le ciel dépeuplé)
deserté, une préface:
tous
ces mètres
tangibles, ces mètres charnels
dans la tête
2
[des données — retenir ne vaut pas]
[donc] un pré,
quelques voies en havane
dans une brume (de brimade),
soleil —
des données
comme cet ombre de brume,
comme la brume londonienne qui privait [1]
mais plaisait à Monet [2],
est barbare, soit fragile!
en effet
une trouée de lumière [3], de l'affect
dans le brou de brouillard —
un effet qui concerne l'effort
qu'on ne fait
sur soi-même
quand les nappes de brimade, de brume
de brimade, s'étirent dans le sang,
quand le sens, faute d'affiches (de Toulouse-
Lautrec, par exemple), d'avis, n'est pas clair —
des données
pas à cause de la cause
mais à cause de leurs cris
qui échappent à l'alcôve
de l'ouïe — comme Le Skrik [orangé]
de La Frise de Munch, sa fumée
[1] de soleil
[2] et sa femme
[3] pâlichonne
3
[poste]
[mais]
où est la poste,
le courrier de la reine,
le relais de chevaux
qui c-
ollé de distance en distance
fournirait
de biscuits,
de carottes d'entretien,
de baiser de nourrice
(un baiser
sans moustache
normative)
où sont-ils?
4
[faire passer]
le pré préalable
ne change de voix, est la carte
de la teinte demandée, la moiré
voilà, le mot-clé que je méta-
morphose en champ
du changeable, vois là —
différence,
quand le pré deviendra un pré∙champ
de la langue, le champ deviendra
une chambrette
et tandis que le pré ne chambrait
la muette (soit la mort de Médée)
ou tandis que le lièvre se lève,
s'en va, pour mourir à ce gîte (ce guidon),
le gibbon ne construit que des nids
en sautant
de vieille branche en vieille branche
de vieille branche en branchette
de branchette en branchette
sur la branche
pour poursuivre
de près
5
[après le défi au bon sens]
— tiens,
peut-on dire [exclamer],
qu'est-ce qu'on veut?
qu'on visite la visée
comme un lieu,
qui donne lieu
à une voix,
qui tient lieu
de la voie dépeuplée?
qu'on parcoure
l'historiette, mal armé?
que le pré c.-à-d. que le champ
ne soit pris dans sa totalité
de connard?
ohne notwendig zu denken: non-sens
6
[je dirais que]
tandis que des dindes [plumées] ne jouissent ou se tuent parce qu'elles craignent,
un champ
ou un sens
dont le sens n'est pas clair —
un éclair
dans l'alcôve de l'ouïe,
je dirais
05-09-2014
ce qui montre [le lis d'amaryl]
© Tahnee Lonsdale
1
[le lis d'amaryl]
ce qui reste
de ce qui
m'échappait
est un lis
d'amaryl
(masculin)
soit une fleur
éclatante
(imposture)
2
[n'a cessé d'être vu]
que l'état de désordre
n'est pas maquillé
éclaircit
qu'on saisit sa portée
par l'égal de l'affaire,
soit la chair ébranlée
3
[un état sans progrès]
mais
donc
où
est la roue de brouette?
4
[l'épopée]
quoi qu'ils soient
tous ces mimes
à l'image de l'angle,
ces droits ralentis,
ces demandes [instantes]
qui verbales ou écrites
ne s'inscrivent sur l'ambre
du front, ces fleurettes
qui ne fleurent ni nourrissent —
parce qu'elles rivent
ils sont le profil et le pli de l'envoie
ils ne voient cependant
que je mens —
je camoufle le masque
par une paire de lunettes
(qui remplace les pincettes
et la paire de ciseaux)
5
[le trompe-l'oeil]
c'est le lis
d'amaryl,
ce narcisse
(masculin)
qui a
trop agrandi
pour tromper
les trompeurs,
les fouets
qui ne fleurent,
qui ne nient
le tire-jus,
le mouchoir
de la mère
(of de zakdoek
van moeder,
de mijne)
6
[le mot presque juste]
je ne sais
où ça mène
mais je suis
[la brouette]
et que rien
ne m'importe
davantage —
demain
03-09-2014
ce qui dit [qu'il n'y a] — intermède
© Doug Fishbone, 30.000 bananas, London, Trafalgar Square, 2005
un tas de bananes et un puits cellulaire
ont cherché l'arbitrage d'un tiers, la tirade
d'un dieu — ta ta ta exprimait le dédain
de ce tiers, son déni de nier le dégât
en matière, la matière purulente
entassées les bananes et le puits cellulaire
ont cherché un concept de moi∙tié, moi∙tié
tas moi∙tié puits, mais un tas est Tartuffe
et un puits les ulcères de la fin de l'été
c'est à dire qu'on n'oublie que l'essence
le régime cellulaire de ce puits et l'amas [de bananes]
ont cherché l'aventure dont l'issue est certaine
parce que si, c'est le puits que l'amas va bourrer
car le puits engouffrait les bananes
et le dieu [de Tartuffe] et le tiers
01-09-2014
ce qui prend
© Gustavo Ortiz
— paysage au loin
mais de loin le plus proche,
l'étendue dans laquelle le mot-clé [le motus]
de mon ciel de cristal dépeuplé
ne peut rien renverser, et la boîte à outils
n'est que vide
le va ne s'inscrit, est réduit en pou∙poudre
[ce timbre est très endormant]
en revanche j'entrerais en action: trop de liens
du sang blanc se concentrent
dans l'ombre des seuils de la vie quotidienne,
ne connectent, nécessitent des cartouches, mais
ce moule se vent mal, je prendrais des cartoons
de la mort du mollusque dépourvu de visage,
des bribes du seuil, le plus vieux,
dans sa réalité de regard, de mépris
par méprise, de voie de la voix —
pas de chance que je puisse m'éveiller
(ta colonne vertébrale y regarde
de près, presque prête pour l'action,
mais elle tord et ne prend que la forme d'une marque
de question, elle détonne, décomplète
la série qui assure le mot tu — je l'ajoute
à la boîte à outils, côté femme)
31-08-2014
ce qui fuit
Lucebert
en voyant
je ne vois
(à travers la fenêtre
qui naît comme miroir)
que l'ensemble: une poule poursuivie
par une bête qui n'existe
comme semblant —
elle est signe
et rouge et pas de bon poil: elle poursuit
l'appendice de cette poule acéphale
qui ne court pour sauver ce qu'elle n'a,
elle est fille, pas femme, ni le coq
au vin blanc, la cocotte
ne se fait dévorer cette fois-ci
(mais la bête inconnue me dira
que le don que je tente d'obtenir
est le mot malfaçon,
que le moi, ce fuyard,
poursuivi par soi-même
n'est qu'un être sans tête
qui ne parle que, entre ses dents,
d'un néant bien nourri)
disparue, même avant qu'elle m'angoisse,
je l'oublie, cette poursuite,
en parlant de la neige —
que rien ne salisse
la fenêtre est nette,
mais il pleut
je me plie
30-08-2014
ce qui verse
© Antoni Tapies
un papier sur lequel est écrit: le soleil
et ledit février — je suis faible pourtant,
habillée comme un m'être
qui, sous la casquette de l'hiver, se versait,
verserait dans l'erreur: le sang blanc
qu'est-ce qu'on jette, même à bas?
le soleil de ce m'être? les mots qui mimaient?
ou le masque? la casquette?
qu'est-ce qu'on garde? les dettes?
le semblant de cette chatte
févrière? les vers qui n'abîment? n'abîmaient?
(les pigments de mes yeux
sont, quand même, quantité négligeable,
je parle, je peux les garder)
un papier sur lequel est écrit: février
est solide, malgré le soleil — tu
ne rêves, même tout éveillé,
de ces ancres de veille, tu viens tôt
tu es l'ombre [de l'arbre] de mai
26-08-2014
always the mother XXVII (one cry)
Sylvia Plath interviews writer Elizabeth Bowen, 1953
[ ... ]
One cry, and I stumble from bed, cow-heavy and floral
In my Victorian nightgown.
Your mouth opens clean as a cat’s. The window square
Whitens and swallows its dull stars. And now you try
Your handful of notes;
The clear vowels rise like balloons
[ … ]
Un seul cri et je saute hors du lit, trébuche, bovine et florale
Dans ma chemise de nuit victorienne.
Tu ouvres une bouche aussi nette qu’une gueule de chat. La vitre
Pâlit et ravale ses étoiles. Alors tu essaies
Ta poignée de notes;
Les voyelles lumineuses s’élèvent comme des ballons.
(Sylvia Plath, uit: Morning song, Chant du matin, traduction de Valérie Rouzeau)
'banaan' werd behouden
Alban Richard
Ich höre mich sagen
nicht mehr lesen können nicht mehr
still sitzen können nicht mehr
liegen nicht mehr schlafen können
nicht mehr mit augen die zeilen
zu kämmen den kopf nicht mehr
aufstützen nichts mehr entziffern
sag welchen der glücksstoffe barg
die banane die ich als speiserest
an meinem gaumen ahne der ich
mich gerne jetzt mit deiner brust
befasste doch was ich finde ist
allein die schlummertaste ich höre
mich sagen ich kann nicht mehr
lesen kann nicht mehr still sitzen
nicht liegen nicht schlafen nicht
mehr die augen die hände die stirn
Norbert Hummelt, Zeichen im Schnee, 2001, vert. ds
ik hoor me zeggen
niet meer kunnen lezen niet meer
stil kunnen zitten niet meer
liggen niet meer kunnen slapen
niet meer met de ogen de regels
te kammen het hoofd niet meer
oprichten niets meer ontwarren
zeg welke gelukstof bevatte
de banaan die ik als etensrest
op mijn verhemelte waan ik
die nu wat graag je borst
wilde koesteren vind slechts
een sluimertoets ik hoor
me zeggen ik kan niet meer
lezen ik kan niet meer stilzitten
niet liggen niet slapen niet meer
ogen de handen het voorhoofd
23-08-2014
'banaan' werd geschrapt
übergang
in den kastanien arbeitet der wind. ich ging in dieser
allee als kind: ist jetzt gesperrt wegen astbruchgefahr.
sie führte vom kloster bis nach schloss dyck über das
dycker weinhaus in damm führte der weg zum kloster
zurück. drinnen wie immer dunkel u. kühl. ich tauche
die hand ins weihwasserbecken bekreuzige mich im
mittelgang sehe im boden die messingplatte mit namen
derer von salm-reifferscheidt. in der wand ein epitaph
(marmor). der hier ruht war einmal ein graf: der erste
totenkopf den ich im leben sah. die knochen traten aus
dem relief hervor wie die ader an vaters schläfe wenn
er darnieder mit kopfschmerzen lag war ich gebeten ihn
zu massieren die ader pochte meine finger strichen die
heisse stirn, den kalten stein entlang. täglich zwei halbe
spalt-tabletten nahm er mich immer mit auf den gang
zum wasser doch war kein nachen kein ferge kein styx
im klostergarten der jüchener bach markierte die grenze
zw. köln u. aachen. man war hinüber mit einem schritt.
Norbert Hummelt, Geen veerman, geen styx, 2014, vert. Erik de Smedt en Jan Baeke (hier vert. EdS)
overgang
in de kastanjes werkt de wind. ik liep door deze dreef
als kind: is nu versperd omdat er takken kunnen breken.
zij leidde van het klooster naar het kasteel dyck langs het
dyckse wijnhuis in damm leidde de weg terug naar het
klooster. binnen is het als altijd koel en donker. ik doop
mijn hand in het wijwatervat sla een kruis en in de
middengang zie ik de messingplaat liggen met de namen
der heren vom salm-reifferscheidt. in de muur een epitaaf
(marmer). wie hier rust was ooit een graaf: het eerste
doodshoofd dat ik in mijn leven zag. de beenderen staken
uit het reliëf naar voren zoals de ader op vaders slaap als
hij met hoofdpijn was gaan liggen werd mij gevraagd hem
te masseren de ader klopte mijn vingers streken langs het
hete voorhoofd, de koude steen. dagelijks twee halve
tabletten paracetamol nam hij me altijd mee op wandel
naar het water maar geen kaan geen veerman geen styx
in de kloostertuin de beek van jüchen gaf de grens aan
tussen keulen en aken. met één stap was je aan de overkant.
the serpent's egg
" .. Look at that picture. Look at all those people. They are incapable of a revolution.
They are far too humiliated, too afraid, too downtrodden.
But in ten years, by then, the 10-year-olds will be 20, the 15-year-olds will be 25.
To the hatred inherited from their parents, they will add their own idealism and impatience.
Someone will step forward and put their unspoken feelings into words. Someone will
promise a future. Someone will make demands. Someone will talk of greatness and
sacrifice. The young and inexperienced will give their courage and their faith to the tired
and the uncertain.
And then there will be a revolution, and our world will go down in blood and fire.
In then years, no more, those people will create a new society unequalled in world
history. The old society was based on extremely romantic ideas of mans goodness.
It was all very complicated since the ideas didn't match the reality. The new society
will be based on a realistic assessment of mans potentials and limitations.
Man is a malformation, a perversity of nature .. "
(uit: The Serpent's Egg van Ingmar Bergman, 1977, 8:00 — 9:40)
05-08-2014
dans le cas de ce nombre zéro
03-08-2014
13-07-2014
01-06-2014
une banane parce qu'on n'a d'autre choix // dat is niet
une banane parce qu'on n'a d'autre choix —
dat is niet wat G.B. van zijn thuis denkt
zijn thuis kent meloen en, natuurlijk, de appel
de fruitkorf is halvelings leeg
of het ligt aan de vorm:
la bouche à l'envers
Lichaam en geest (Standard)
Al jaren zet ik alles op mijn hoofd
losgeld
opgeslagen om te verzilveren
wat zich niet door spierkracht
laat losweken, loswrikken
uit de nevel van het brein
Een zekere veronachtzaming
is het gevolg
een soort van schisma
van mijzelf in duizend nesten
gewerkt en daar blijven hangen
Zullen we er een appel op zetten
een doelwit vol van vitaal vlees
en zuigend vermogen
een hoedje
niet langer van papier
Heel lang al speelt dit alles
door mijn hoofd
ik laat het eruit nu
en loop naar huis
De weg ligt open
(Geert Buelens, Thuis, 2014, 61)
27-05-2014
Wat verkommert als niets nog bekommert, of spint
© Julius Hofmann
Getjilp, stil getjilp voor de tijd
van het jaar, maar vandaag wordt het ochtend,
smelt kilte. De mist die aan daver
voorafgaat trekt op en d—
Daar wordt op last van de klieren
een climax besteld, hij bewapent
(geen wapen van piepschuim) zichzelf
als vanzelf, in een warme verkleuring.
Een kern wil getroffen, een vorm
van exces met een aantal reflexen.
Haar hand, onverschillig maar warm,
kent de knepen, zij kliert niet, bestelt niets,
maar rekent (deliriumvrij) op de vraag
van beton: wat verkommert als niets nog
bekommert? Het zachte geslacht
is verslaafd aan constructies, wil praten
(een vorm van exces), een piraat
met beperking, een wending op Holly-
woodtoon: I love you. Maar geen borst
of ze snoert hem de mond, hij mengt
dierlijke zin, plukjes vacht met
in nomine patris, bepaalt hoeveel mond
te veel tong is — dat staat (constatering)
te boek, à propos. De gehoorbuis
wordt buis, zelfs het proeven (een proef-
ondervindelijk woord) een Houdini,
in vivo. Haar wil, willekeurig
gekleurd, dimpt de diepte als balling,
verzwaart de posities: geen koorts
onder rokken vandaan zonder stier
in een stem die gericht is. Hij opent
de buik van zijn trom (ook een vorm
van beperking): getjilp, zwaar getjilp
voor een ochtend met polsslag
als norm
14-05-2014
gestalte in woorden: vooruitgangsgeloof (vindt geen uitweg naar binnen)
© Do Hoang Tuong
De maakbare zingt
en verslikt zich wat graag —
wat de slokdarm vermoedt,
ondergaat.
[Affirmatie met voorwoord,
want wat geeft de doorslag?
De schijn, definieerbare
schijn — zo zou blijken.]
De maakbare zingt
met een stem die gelinkt is
aan kwalificatie en allen
gelijk voor de wet
van het cijfer dat weg-
wijzers zet — een discretie
die maat suggereert
(alsof maat nog bestaat)
zweept het zwerk op, het koor:
'Hoe het hoofd als gesloten
systeem, nu eens zenuw
en -pees dan confectie,
de denktrant (met dagrest)
versterkt.' Hoe de maakbare
denkt in een andere taal,
in een kleur die verzwijgt,
die het grijs (enkel grijs
is rechtlijnig) bezingt,
zelfs in tinten, geen feest
halverwege, geen paard
in de gang, wel de stap
die de hinde ontregelt,
gewicht van de diepte
verzegelt met zalf.
[Affirmatie met nawoord:
al dromend verminkt hij,
met bijval, de hand
die hem voedt, hem de maakbare
noemde — het nachtdier
komt om, een cesuur
van censuur (geruststellend),
routine
retour]
12-05-2014
Het bleef, maar het blijft / want het blijft maar blijft uit
© Jacqueline Bradley
Toen je mij, ik die jaartellend was
of wou zijn, in de ban hield, bestond ik
als beeld dat je voorhield, ik ben —
ik ben niet dan een deel dat ontbreekt,
een tekort dat je voelt maar niet aanraakt.
Toen jij (je was aarding, de blik
die me richtte) vergat hoe de hond
op je tong me ontging, hoe een beeld
zonder beeldspraak zijn spankracht verliest,
werd het kil. Dit weerspiegelt Spinoza,
bedacht ik (recent), of zijn denkbeeld:
'Een mens is pas vrij als hij weet
wat hem determineert, of verjaagt.'
En ik aarzel als jij, als jouw beeld
als een land zonder landschap verschijnt;
ongewijzigd mijn nadorst, onwrikbaar
het lood in je stem, nu je dood bent
of weg. Ik, de spiegel, weerkaats,
kan niet zien, draai in cirkels: mezelf.
Een verlies (maar begrijp niet te snel)
maakt me blind; waar het licht me niet najaagt,
niet inbedt in beelden, gaapt leegte
en drift, nauw verwant met sensibele
beesten, ik ben — ik ben niet
dan het woord dat ik zoek
voor jouw aarding, de nadorst, het hoe
van waarom, het omdat van een deel
dat ontbreekt. Ik verzoek,
ik genees niet
van beelden.
Abonneren op:
Posts (Atom)




























