© Jacqueline Bradley
Toen je mij, ik die jaartellend was
of wou zijn, in de ban hield, bestond ik
als beeld dat je voorhield, ik ben —
ik ben niet dan een deel dat ontbreekt,
een tekort dat je voelt maar niet aanraakt.
Toen jij (je was aarding, de blik
die me richtte) vergat hoe de hond
op je tong me ontging, hoe een beeld
zonder beeldspraak zijn spankracht verliest,
werd het kil. Dit weerspiegelt Spinoza,
bedacht ik (recent), of zijn denkbeeld:
'Een mens is pas vrij als hij weet
wat hem determineert, of verjaagt.'
En ik aarzel als jij, als jouw beeld
als een land zonder landschap verschijnt;
ongewijzigd mijn nadorst, onwrikbaar
het lood in je stem, nu je dood bent
of weg. Ik, de spiegel, weerkaats,
kan niet zien, draai in cirkels: mezelf.
Een verlies (maar begrijp niet te snel)
maakt me blind; waar het licht me niet najaagt,
niet inbedt in beelden, gaapt leegte
en drift, nauw verwant met sensibele
beesten, ik ben — ik ben niet
dan het woord dat ik zoek
voor jouw aarding, de nadorst, het hoe
van waarom, het omdat van een deel
dat ontbreekt. Ik verzoek,
ik genees niet
van beelden.
Posts tonen met het label Jacqueline Bradley. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jacqueline Bradley. Alle posts tonen
12-05-2014
Het bleef, maar het blijft / want het blijft maar blijft uit
Abonneren op:
Posts (Atom)

