26-03-2012

Salomé, Cranach




een rondedans
laterxxxxxxxxschaal!
beduimeld. de dopende halfgod, hij doopte
en doopte en hoop- maar kantoorstof dringt
door op verzoek 'en avant!' van de moeder (so,
alwaysxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxthe mother?)

het laaghartige
raamxxxxxxxxxxxis bevoorrecht
gesloten: how deep is the mud? zo diep
als het dier dat je wacht (op verzoek, ongebreideld
vergrijsd, van de moeder) met woorden in mond
onderxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxdelen

'mondonderdelen?'
'mondonderdelen! met opstoot geboren
en morgen: onvindbaar'

hij twijfelt, al
weet hij hetxxxxzeker,
aan la Salomé: bleke diefstal als waan van de dag
[op verzoek] want een hoofd dat geen hoofd is. op
zich een bezuinigd zichzelf (dexxxxxxx onscherpen
staan kruiwagenpaars in de weg!), al dan niet


door de krachten
die drijvenxxxxxde zwaartekracht
zakt in de rede, de oogleden, wit. puis ça parle,
ça parle: het waterig blauw ongedoopt door
het kijkgat [de tijd], langs de schaalrand
die tongspierxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxbeduimelt






© Lucas Cranach, Salomé










































Salomé, Cranach


De duisternis van wat ze wou
straalt af in ogen die er niet meer zijn –
zo wisselt ze haar stille blik met
helderziendheid van een dode.

Haar voorhoofd een verfijnd Saksisch
juweel, iets dat van stille wreedheid
flonkert en zichzelf verbeeldt,
geslepen in zijn mijmering,
voldaan en onbewogen.

Wie zo sereen kan dromen
van het scherp gewette mes,
en van een kus die nooit
kan komen, die kleine boezem
slapend in het goudbrokaat,
wondrood de elegante hoed,
de veren die ze zich heeft aangemeten,
waanwijze kilte van die kleine mond, die spitse kin,
dat alles dat van maagden spreekt
en dood als een kostbaar gerecht
in handen houdt en toch niet trilt –
die heeft het hoofd erbij gehouden.

De halsketting is beter dan de beul.
achter haar zijn bergen blauw,
het slot de kleur van rotsen,
frisgroen de medeplichtigheid
van wouden.

Want wat natuur is
geeft geen krimp
tot het verkrijgt wat
het nooit heeft gewild.





18-03-2012

word zwaard (of sterf bij de poging) - Ulf Stolterfoht




werde schwert (oder stirb beim versuch). für jeremy prynne


erstes gedicht der schöneberger artista proleta fraktion: schapf. der
zehnte halb geleert. bevor die köpfe auf den biertisch sanken er-
klang ein sang wie folgt: pentateuch heißt mein scheich / liegelind
unser kind / abgefuckt deren magd – nun kennt ihr das textgespinst.

was aber wenn (so monoton die neuköllner delegation): einer
krautige hosen hat / und haberschlachtige strümpf? dann zwingend
radikalprogramm: vierzig morgen und ein maultier. konzeptschwein.
bzw. andock: der härteste schuftmann im rock. dem folgt verschämt

gedenkmoment. wonach mit urgewalt so siebenhundert newton-
meter auf die folgeverse wirken. alles mit versteht sich geregeltem
wurm. jetzt läßt man sie los. bloß: die achse hält dem druck nicht
stand. gehalt knallt um die ohren – hierin "aufsteigenden vogel-

schwärmen nicht unähnlich". freilich wenig gedeihlich. weiteres
zitat mit blut-leber-bindung – auf daß sich ein spektrales bild des
kampfes ergibt: hast du zwei trotzki-beweinungen – trenn dich
von einer! sie verstärken sich nicht! bezirk tempelhof-nord (et-

was einfacher gestrickt / mit gewerblichen künstlern gespickt)
ergreift das wort / gibt zu bedenken: wenn unser stand / wenn
unser wurzeln unbekannt / bewegung sicherlich zerrinnt / wie
burgenbau aus zimt. nun ja. wenig glücklich formuliert. ungelenk.

aber wesentliches stimmt. die vielleicht verstörendste gliederung
der stadt. sei weiterhin erinnert an: dem rebellen die menge was dem
maulwurf der mulch. und ähnlich kruder klump. was letztlich blieb
war ein papier für minimalisten. und ausreichend platz für notizen.


(Ulf Stolterfoht: uit de reeks "fachsprachen XXVIII", gepubliceerd in "fachsprachen XXVIII-XXXVI", Urs Engeler 2009)





© Gerhes Gábor





























word zwaard (of sterf bij de poging). voor jeremy prynne


eerste gedicht van de schöneberg artista proleta fractie: biertje. het
tiende half opgedronken. voor de koppen op de biertoog zonken weer-
klonk een lied als volgt: pentateuch mijn despoot / dommelin
heet ons kind / ordinair is hun meid – nu ken je het tekstgebrei.

wat echter als (aldus monotoon de delegatie uit neukölln): iemand
groen als een broekje is / met halverslachtige kous? dan dwingend
radicaal programma: veertig morgen en een muildier. conceptzwijn.
resp. koppeling: de potigste zwoeger in rok. nu volgt bedeesd

herdenkingsmoment. waarna met oerkracht zo'n zevenhonderd newton-
meter op de volgende verzen werkt. allemaal, dat spreekt, met piekfijne
katalysator. nu laat men ze los. alleen: de as doorstaat de druk
niet. salaris knalt om de oren – hierin “omhoog vliegende vogel-

zwermen niet ongelijk”. zij het weinig voordelig. nog een
citaat met bloed-lever-binding – opdat een spectraal beeld van de
strijd ontstaat: heb je twee trotski-beweningen – geef er
een op! ze versterken elkaar niet! district tempelhof-noord (iets

eenvoudiger gebekt / met marktartiesten doorspekt)
neemt het woord / geeft te bedenken: als onze trend / als
onze wortels onbekend / verkwijnt beweging vast / als
burchtenbouw van quatsch. nou ja, wat ongelukkig verwoord. onbeholpen.

toch in essentie correct. misschien de verwarrendste formatie
van de stad. verder niet vergeten: voor de rebel is de massa wat
voor de mol de aardmolm is. en nog van die grove klont. wat overbleef
was een blad voor minimalisten. met plaats zat voor notities.