skip to main |
skip to sidebar
 |
| © Julius Hofmann |
Getjilp, stil getjilp voor de tijd
van het jaar, maar vandaag wordt het ochtend,
smelt kilte. De mist die aan daver
voorafgaat trekt op en d—
Daar wordt op last van de klieren
een climax besteld, hij bewapent
(geen wapen van piepschuim) zichzelf
als vanzelf, in een warme verkleuring.
Een kern wil getroffen, een vorm
van exces met een aantal reflexen.
Haar hand, onverschillig maar warm,
kent de knepen, zij kliert niet, bestelt niets,
maar rekent (deliriumvrij) op de vraag
van beton: wat verkommert als niets nog
bekommert? Het zachte geslacht
is verslaafd aan constructies, wil praten
(een vorm van exces), een piraat
met beperking, een wending op Holly-
woodtoon: I love you. Maar geen borst
of ze snoert hem de mond, hij mengt
dierlijke zin, plukjes vacht met
in nomine patris, bepaalt hoeveel mond
te veel tong is — dat staat (constatering)
te boek, à propos. De gehoorbuis
wordt buis, zelfs het proeven (een proef-
ondervindelijk woord) een Houdini,
in vivo. Haar wil, willekeurig
gekleurd, dimpt de diepte als balling,
verzwaart de posities: geen koorts
onder rokken vandaan zonder stier
in een stem die gericht is. Hij opent
de buik van zijn trom (ook een vorm
van beperking): getjilp, zwaar getjilp
voor een ochtend met polsslag
als norm
 |
| © Do Hoang Tuong |
De maakbare zingt
en verslikt zich wat graag —
wat de slokdarm vermoedt,
ondergaat.
[Affirmatie met voorwoord,
want wat geeft de doorslag?
De schijn, definieerbare
schijn — zo zou blijken.]
De maakbare zingt
met een stem die gelinkt is
aan kwalificatie en allen
gelijk voor de wet
van het cijfer dat weg-
wijzers zet — een discretie
die maat suggereert
(alsof maat nog bestaat)
zweept het zwerk op, het koor:
'Hoe het hoofd als gesloten
systeem, nu eens zenuw
en -pees dan confectie,
de denktrant (met dagrest)
versterkt.' Hoe de maakbare
denkt in een andere taal,
in een kleur die verzwijgt,
die het grijs (enkel grijs
is rechtlijnig) bezingt,
zelfs in tinten, geen feest
halverwege, geen paard
in de gang, wel de stap
die de hinde ontregelt,
gewicht van de diepte
verzegelt met zalf.
[Affirmatie met nawoord:
al dromend verminkt hij,
met bijval, de hand
die hem voedt, hem de maakbare
noemde — het nachtdier
komt om, een cesuur
van censuur (geruststellend),
routine
retour]
 |
| © Jacqueline Bradley |
Toen je mij, ik die jaartellend was
of wou zijn, in de ban hield, bestond ik
als beeld dat je voorhield, ik ben —
ik ben niet dan een deel dat ontbreekt,
een tekort dat je voelt maar niet aanraakt.
Toen jij (je was aarding, de blik
die me richtte) vergat hoe de hond
op je tong me ontging, hoe een beeld
zonder beeldspraak zijn spankracht verliest,
werd het kil. Dit weerspiegelt Spinoza,
bedacht ik (recent), of zijn denkbeeld:
'Een mens is pas vrij als hij weet
wat hem determineert, of verjaagt.'
En ik aarzel als jij, als jouw beeld
als een land zonder landschap verschijnt;
ongewijzigd mijn nadorst, onwrikbaar
het lood in je stem, nu je dood bent
of weg. Ik, de spiegel, weerkaats,
kan niet zien, draai in cirkels: mezelf.
Een verlies (maar begrijp niet te snel)
maakt me blind; waar het licht me niet najaagt,
niet inbedt in beelden, gaapt leegte
en drift, nauw verwant met sensibele
beesten, ik ben — ik ben niet
dan het woord dat ik zoek
voor jouw aarding, de nadorst, het hoe
van waarom, het omdat van een deel
dat ontbreekt. Ik verzoek,
ik genees niet
van beelden.