non seulement
corps à corps
mais encore
corrélé
à la clé
[sous la porte]
elle se porte
sur le su
[que l'on sait
quand on dort]
et la mort
qui au su
et au vu
interroge
l'encoche
[sur la cloche
de ce lien
qui nous tient]
et le rhume
de mon Dieu!
29-11-2012
non seulement (V)
pourvu que (IV)
pourvu que
tu vibres
tu viennes [par des spectres
d'allées
et venues]
à nuer
sans degrés
centigrade
le gras
prétendu
que tu, temple,
ne tremple
non plus —
non seulement —
28-11-2012
qu'on n'a (III)
© Franz West
ne dédié au dédireni dédié à la croûte— n'à vous que le dé
tandis que le dire
passe les dits, des arcanes
ne pouvaient échapper,
sont dédiés à l'odeur
de brulé — et à toi,
ce visage jaunâtre
qui nie, qui ne niche
que des voiles. qu'on n'a
de l'oreille? qu'on klaxonne
une sonate [tandis que
les nuits passeront]?
le forçage renvoie
à la chose châtrée,
à l'ensemble au sens
figuré — mais la voile
ne te voile que la vue
(cette clapette!), pourvu
que tu vives, tu veuilles
26-11-2012
23-11-2012
of het eiland bij vloed overstroomt = de vraag
© Alighiero Boetti
DAAAG
zolang ik er niet geweest ben
voel ik me niet geroepen
over het hiernamaals
iets substantieels te beweren
dat is een twee is dat
alles in de ruimte een achterzijde
heeft in de tijd alles een erna
de deur gaat dicht wordt muur
wordt huis wordt tuin weg na de punt
begint het wit van de volgende zin
anders dan zo — in begrippenparen —
denken wil maar niet lukken
echte eindes kennen we niet het is
de schuld van de seizoenen want altijd
wonderlijk anders helemaal hetzelfde
(dachten de eerste ex-apen) een slome
regelmaat die verwachtingen wekt
dat was drie en ten vierde
wil ik bij deze Piet en Martin
Wouter en tante Riet de groeten doen
ten leste moet me van het hart
dat het hele begrip me nog het meest
doet denken aan een verkeersbord
(op een kruising bij Han-sur-Lesse)
met twee forse bazige pijlen
onder die naar links
staat toutes directions
onder die naar rechts wijst
autres directions
(K. Michel, uit: Bij eb is je eiland groter, 2010, 31)
22-11-2012
18-11-2012
the art of translation
THE ART OF TRANSLATION
1
To have seen you exactly, once:
red hair over cold cheeks fresh from the freeway
your lingo, your daunting and dauntless
eyes. But then to lift toward home, mile upon mile
back where they'd barely heard your name
— neither as terrorist nor as genius would they detain you —
to wing it back to my country bearing
your war-flecked protocols —
that was a mission, surely: my art's pouch
crammed with your bristling juices
sweet dark drops of your spirit
that streaked the pouch, the shirt I wore
and the bench on which I leaned.
2
It's only a branch like any other
green with the flare of life in it
and if I hold this end, you the other
that means it's broken
broken between us, broken despite us
broken and therefore dying
broken by force, broken by lying
green, with the flare of life in it
3
But say we're crouching on the ground like children
over a mess of marbles, soda caps, foil, old foreign coins
— the first truly precious objects. Rusty hooks, glass.
Say I saw the earring first but you wanted it.
Then you wanted the words I'd found. I'd give you
the earring, crushed lapis if it were,
I would look long at the beach glass and the sharded self
of the lightbulb. Long I'd look into your hand
at the obsolete copper profile, the cat's-eye, the lapis.
Like a thief I would deny the words, deny they ever
existed, were spoken, or could be spoken,
like a thief I'd bury them and remember where.
4
The trade names follow trade
the translators stopped at passport control:
Occupation: no such designation —
Journalist, maybe spy?
That the books are for personal use
only — could I swear it?
That not a word of them
is contraband — how could I prove it?
(Adrienne Rich, Midnight Salvage, Poems 1995-1998, 1995)
© Corydon Cowansage
De kunst van vertalen
1
Jou te hebben gezien, precies, één maal:
rood haar over wangen nog fris van de rit
jouw taaltje, jouw harde, volhardende
blik. Om dan mijl na mijl te verreizen naar huis,
terug naar de plek waar jouw naam onbekend is
— en niemand je aanhoudt als terrorist of genie —
het terug naar mijn thuisland te jagen,
jouw regels, met strijdlust gevlekt, te verplaatsen —
dat was een missie, natuurlijk: mijn buideltje kunst
te barsten gevuld met jouw snerpende sappen,
zoete, vertroebelde druppels vol pit
die de buidel, het hemd dat ik droeg en de zitbank
waarop ik toen leunde, doordrenkten.
2
Het is enkel een tak als zovele
groen met geflikker van leven erin
als ik dit, jij het andere uiteinde vasthoudt
dan is er een breuk
een breuk tussen ons, gebroken ondanks ons
gebroken en daardoor op sterven na dood
een breuk met geweld, een breuk door het liggende
groen, met geflikker van leven in zich
3
Maar stel dat we knielden als kind op de grond waar het krielt
van de knikkers en doppen van flessen, van folie en vreemde verouderde centen
— de eerste echt dierbare dingen. Roestige haken en glas.
Stel: ik bemerkte als eerste de oorring, jij wou die.
Dan wou je de woorden die ik had gevonden. Ik zou je
de oorring wel geven, al was het verbrijzelde lapis.
Ik zou lang naar het strandglas en het geknapte zelf
van het lichtpeertje kijken. Lang in je hand het verouderde
koperprofiel, de reflector bekijken, de lapis.
Als een dief zou ik de woorden ontkennen, ontkennen dat zij
ooit bestonden, gesproken werden, of gesproken konden worden,
als een dief zou ik ze begraven en onthouden waar.
4
De vaktermen volgen het vak
de vertalers tot stilstand gebracht bij de paspoortcontrole:
Beroep: geen zulke benoeming —
Journalist, spion misschien?
Dat de boeken er zijn voor uitsluitend
persoonlijk gebruik — kan ik dat zweren?
Dat geen woord ervan
smokkelwaar is — hoe zou ik dat kunnen bewijzen?
(Adrienne Rich, Midnight Salvage, Poems 1995-1998, 1995, vert. ds)
16-11-2012
nous avons (II)
nous avons:
en avant! et l'oubli [qui
n'admettent une réplique
pittoresque]
ce qui reste est restant
ce qui reste est un reste en suspens
suspendu à une vie invisible, un tic
du tissu musculaire — cultivez
vos vaccins, vos
bassins singuliers et jetez
le jeton de présence
dans le puits où se nichent
des chimères — il ne pleut
que là-bas, en revanche
ce qui centre s'enfuit
ce qui centre ne suit que la fuite
en avant, le vertige [si nous ne croyons,
divisons notre temps entre fuite
et ficelle de carence] — la croyance
ne précède qu'une veine
qui ne croit
qu'on a:
15-11-2012
14-11-2012
nous n'avons (I)
nous n'avons que conclu: on jouit
en un clic* un bruit sec* et ce n'est
que l'énigme qui fait garantie
— le tison, ce trophée si précieux
[elle écrit sur ses seins* ses seins nus*
un nuage de verbes: tison,
oppression du totem pardonnable
— sa flamme est une nasse menacée]
nous n'étions que perçus: comme murmure
à mi jambe, jambon qui ne fait
garantie, une pilule qui ne passe
— on la dore, on l'adore, ça suffit
[elle écrit sur sa queue* sa queue crue*
un nuage de mots essentiel
à sa lutte: vos têtes couronnées
de nécrose ne rêvent, salut]
nous n'avons que perdu des nuages
11-11-2012
dat en niets anders
".. Dat is misschien waar je je hele leven naar zoekt, dat en niets anders, een zo groot mogelijk verdriet om eindelijk jezelf te zijn voordat je sterft .."
(Louis-Ferdinand Céline, Voyage au bout de la nuit, vert. E.Y. Kummer, 2007 [1932], 262)
© Leah Raintree
".. Er is een moment dat je helemaal alleen staat, wanneer je de grens hebt bereikt van alles wat je overkomen kan. Dat is het einde van de wereld. Zelfs je eigen verdriet laat je in de steek, je moet dan omkeren en je weer onder de mensen begeven, wie het ook zijn. Op zulke momenten ben je niet kieskeurig, want zelfs om te huilen moet je weer teruggaan naar het punt waar alles van voren af aan begint, teruggaan naar de mensen .."
(Louis-Ferdinand Céline, Voyage au bout de la nuit, vert. E.Y. Kummer, 2007 [1932], 363)
09-11-2012
maldito sea el hombre que confía en el hombre: un projet d’alphabétisation
"Zo zegt de Heere: vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den Heere afwijkt! Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land. Gezegend daarentegen is de man, die op den Heere vertrouwt, en wiens vertrouwen de Heere is! want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen. arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? Ik, de Heere, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen." (jeremia 17:5-10)
"This is what the Lord says: “Cursed is the one who trusts in man, who draws strength from mere flesh and whose heart turns away from the Lord. That person will be like a bush in the wastelands; they will not see prosperity when it comes. They will dwell in the parched places of the desert, in a salt land where no one lives. “But blessed is the one who trusts in the Lord, whose confidence is in him. They will be like a tree planted by the water that sends out its roots by the stream. It does not fear when heat comes; its leaves are always green. It has no worries in a year of drought and never fails to bear fruit.” The heart is deceitful above all things and beyond cure. Who can understand it? “I the Lord search the heart and examine the mind, to reward each person according to their conduct, according to what their deeds deserve.” (Jeremiah 17:5-10)
"Ainsi parle l'Éternel: Maudit soit l'homme qui se confie dans l'homme, Qui prend la chair pour son appui, Et qui détourne son coeur de l'Éternel! Il est comme un misérable dans le désert, Et il ne voit point arriver le bonheur; Il habite les lieux brûlés du désert, Une terre salée et sans habitants. Béni soit l'homme qui se confie dans l'Éternel, Et dont l'Éternel est l'espérance! Il est comme un arbre planté près des eaux, Et qui étend ses racines vers le courant; Il n'aperçoit point la chaleur quand elle vient, Et son feuillage reste vert; Dans l'année de la sécheresse, il n'a point de crainte, Et il ne cesse de porter du fruit. Le coeur est tortueux par-dessus tout, et il est méchant: Qui peut le connaître? Moi, l'Éternel, j'éprouve le coeur, je sonde les reins, Pour rendre à chacun selon ses voies, Selon le fruit de ses oeuvres." (Jérémie 17:5-10)
maldito sea el hombre que confía en el hombre: un projet d’alphabétisation
08-11-2012
Céline — c'est son nom de plume, le nom de sa mère
".. In het koude Europa, onder de preutse grauwe hemel van het Noorden, vermoed je nauwelijks iets van de diepborrelende wreedheid van onze broeders, behalve natuurlijk als ze elkaar afslachten, maar zodra ze door de smerige tropenkoorts verhit raken, komt al hun goorheid naar boven. Dan keren ze zich volkomen binnenste buiten en worden een en al smeerlapperij, van top tot teen. Een biologische onthulling. Als de kou en het werk ons even met rust laten en hun wurgende greep verslappen, ontdek je in de blanken hetzelfde als wat je op een vriendelijk strand ziet wanneer het eb wordt: de werkelijkheid, afgrijselijk stinkende plassen, krabben, aas en uitwerpselen .."
(Louis-Ferdinand Céline, Voyage au bout de la nuit, vert. E.Y. Kummer, 2007 [1932], 124)
© Louis Ferdinand Destouches, 1915
".. Om een beetje in vrede te kunnen leven met de mensen, of het nu officieren zijn of niet, — een soort wapenstilstand, wel wankel, maar toch erg de moeite waard — moet je ze eigenlijk onder alle omstandigheden de gelegenheid geven met zichzelf te koop te lopen en zich te wentelen in hun domme opsnijerijen. IJdelheid heeft niets met intelligentie te maken. 't Is een instinct. En elk mens is in de eerste plaats ijdel. De verhouding tussen de mensen is alleen een beetje plezierig als er één de rol van bewonderende voetveeg wil spelen .."
(Louis-Ferdinand Céline, Voyage au bout de la nuit, vert. E.Y. Kummer, 2007 [1932], 135)
03-11-2012
01-11-2012
de adem, dat beest, is er [geestelijk] slechter aan toe — als ik ga?
Ruhe (dernière)
Franz Schubert, Vorüber die stöhnende Klage, D53
Vorüber die stöhnende Klage!
Elysiums Freudengelage ersäufen jegliches Ach!
Elysiums Leben ewige Wonne, ewiges Schweben,
Durch lachende Fluren ein flötender Bach.
Friedrich von Schiller (1759-1805)
Abonneren op:
Posts (Atom)








