© Georg Baselitz
Terrein = [is] observatie. observatie waarin de dichter [schijnbaar] niet subjectief geïmpliceerd is, op twee ex-cathedra's (waaronder Ekerekerenska) en hier en daar een slotzin na ("Herstel wat veraf is. Onderdruk wat / vooraan staat. Kiept het kantelraam", 18).
Lindner bekijkt en omschrijft handelingen en situaties, waaraan je veelal achteloos voorbij gaat, en plaatst deze fragmenten al dan niet coherent onder of naast elkaar. uiteraard heeft deze werkwijze een bevreemdend effect maar meer nog word je als lezer geconfronteerd met het besef dat je al te veel voor evident en vanzelfsprekend neemt, dat je al te vaak interpreteert.
Een kleine vrouw houdt een paraplu hoog boven haar hoofd
je houdt stil om iets op te schrijven en iemand botst tegen je op
een vrouw raakt haar paraplu kwijt en holt er achteraan
de paraplu kantelt over straat
alsof de wind en ik dezelfde zijn
alsof een paraplu een boot op het wegdek is
een muur hakt een stuk in de lucht
er valt regen in je notitieboek
een meisje vraagt je de weg
vertel je die dan raak je haar kwijt.
(een kleine vrouw houdt een paraplu, 32)
observatie levert geen betekenaar als vijgenblad op, dat spreekt: geen mens die vandaag de dag nog een vijgenblad draagt. schaamte? evenmin. voor schaamte klinken de woorden en zinnen in Terrein te zelfzeker. eerder spreekt de dichter van "juwelen van een mens die zich baadt en droogt". een onversneden brood? nee, wel bitterkoek, ijsco en aangebraden vlees - meer wordt er in Terrein gelikt noch gegeten. de betekenaar schoen komt eenmaal voor in de vorm van een sonore hak: "in de kamer klakt haar hak op zijn kant op de vloer / maar ze valt niet / een arm haalt haar lichaam om / en in haar draai pakt haar eigen arm hem beet", 28.
mijn eerder geformuleerde hypothese kan ik dus mutatis mutandis behouden: hoe toegankelijker (oppervlakkiger) het boek, hoe goedkoper schaamte en schoenen, hoe zoeter het surrogaat voor (dagelijks) brood.
welke betekenaars dan wel met enige regelmaat terugkeren? paard en schip, definitely. maar Lindners schip verwijst niet naar de vermaarde zonneboot of overvaart, en niemand, niemand moet verlokking van Sirenen weerstaan. geen ark wordt gelicht. schip verwijst gewoon naar schip, het beobachte schip. zo vergaat het ook het paard. er is geen sprake van een merrie bereden door Sint Joris of Sint Maarten (die apropos zijn mantel deelt), geen hemels bliksempaard ontdaan van aards en zwaartekracht, noch Pegasus die met zijn hoefslag bronnen slaat. Lindners paard is het gedomesticeerde maar vooral geobserveerde paard, pas plus, pas moins.
Een wit paard, de voorpoten aan elkaar gebonden
hinkt vooruit
naar een muur van betonblokken, dichtbegroeide rails
bergen buiten de stad
treinstellen naast het spoor
hoog naast het veld gloeit een lasvlam op een balkonhek
een man op een muurtje masseert de nek van de man
die naast hem zit
een koord spant langs de voegen tussen stenen
ritmisch knerpt het zadel op het stapvoets lopend dier
de stofwolk nadat een auto voorbijrijdt
hoe je de stad ook uit loopt, je keert terug langs de rivier.
(Een wit paard, de voorpoten aan elkaar, 30)
(Erik Lindner, Terrein, 2010)
Posts tonen met het label Erik Lindner. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Erik Lindner. Alle posts tonen
29-11-2010
Soulier 57 (maar ze valt niet)
(one of the) 50 ways to sing ekerekerenska in a nanolandscape
© Rik Andreae, nanolandschap
Ekerekerenska dat is wanneer de jongen van het ene dorp trouwt met die van het andere. De een speelt viool en de ander zingt. Samen geeft dit zo'n afgrijselijk geluid dat niemand ze als buren wil. Waarop ze een huisje bouwen ergens tussen die twee dorpen, waar jaren later een nieuw dorp staat, zonder kerk maar met de geschiedenis van ekerekerenska. De kinderen dragen er jurkjes van geel katoen, gaan niet naar school, liggen in het veld met ogen open. 's Avonds zingen ze zacht door elkaar en als de wolken komen, zijn ze bang dat ekerekerenska zomaar weg is zodra de zon weer schijnt.
Wij halen opgelucht adem en zeggen dat het leven goed voor ons is. Ekerekerenska leeft ongehinderd voort. Tijdens ons kaartspel is daar de duizendste geboren, onder gejuich dat onze klokken overstemt. Als het kind groot is, ontmoet ik het bij de vijver. Het heeft iets glimmends in de hand. Verblind door de weerkaatsing geef ik toe: ekerekerenska is en ekerekerenska zal al mijn twijfels overwinnen. En na mijn laatste kreet betreur ik dat dit besef maar seconden duurt, omdat ik in de slaap val waarvan ik dacht dat die enkel het leven zou vullen.
(Erik Lindner, Terrein, 2010, 35)
Abonneren op:
Posts (Atom)


