© Paul Schietekat
In Kafka's strafkolonie draait het, hoe kan het ook anders, om schuld die men in andermans schoenen schuift - wat op zich reeds absurd is, maar niet als zodanig erkend, vermits algemeen verbreid. "Mij treft geen schuld", 724, "allemaal de schuld van de commandant", 732, "schuld staat altijd vast", 726.
Wat beschaamt wordt verzwegen. "Dat zal de officier u wel niet verteld hebben, want daar schaamde hij zich het meest over", 744. Het zwijgen als vijgenblad.
Verder geen brood in de strafkolonie en slechts één soldaat die "zijn hakken in de grond boort", 728 - dan is het uit met schoeisel.
Der Franz bedient zich eerder (en opvallend) van betekenaars onder de noemer kleding: "een nauw parade-uniform, met epauletten bezwaard en met tressen behangen", 723, "een hemd en een broek van achteren doorgesneden", 730, "havenwerkers die geen van allen een jas dragen, wel gescheurde hemden", 744, ..
Vrouwen, die onbegrepen of misschien liever on(be)grijpbare wezens (Kafka staat in deze niet alleen), verschijnen (mooi om lezen) als dames die dunne dameszakdoekjes, 721, 741, en suikergoed uitdelen, 732, als dames die met hun dameshand je mond dichthouden als je wil schreeuwen, 735, en als je niet oplet met je vingers spelen, 737. Het schoeisel van deze dames laat der Franz evenwel (terecht?) onbesproken.
(In de strafkolonie, uit: Franz Kafka verzameld werk, 1983, vertaling Nini Brunt)
03-10-2010
Soulier 51 (de hakken in de grond boren)
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten