© Keith Tyson
'Papier bijvoorbeeld / is gemaakt van doorzichtige / vezels en is alleen maar wit en on- / doorzichtig / om dezelfde reden / dat glaspoeder wit en ondoor- / zichtig is: // olie het papier, vul de poriën / tussen de vezels met olie, / zodat er geen breking of weerkaatsing / meer is, behalve aan de oppervlakte, // en het wordt doorzichtig als glas. // En niet alleen papier, maar / katoenvezels, / linnenvezels, / wolvezels, / houtvezels, / en been, / Kemp, / vlees, / Kemp, / haar, / Kemp, / nagels en zenuwen, / Kemp, // alles waaruit een mens / is samengesteld, / behalve de rode delen / van zijn bloed / en het donkere haar- / pigment, / is gemaakt van / doorzichtig stof. // Zo weinig is genoeg / om ons voor elkaar / zichtbaar te maken.' // (in memoriam Jo Peters)
(Wiel Kusters, Onzichtbare man, uit: Zielverstand, 2007, 34-35)
Posts tonen met het label Wiel Kusters. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wiel Kusters. Alle posts tonen
24-07-2010
(on)zichtbare man
22-07-2010
Soulier XXXV (de hardloper schudt het zand uit zijn schoen, terwijl hij het zand uit zijn schoen schudt)
© Bjorn Melhus
De schrijvers en dichters, die ik sedert mijn bevlieging onder de loep neem, strooien niet echt (het moet gezegd) met schoeisel. Wiel Kusters evenmin. In zijn laatste bundel Zielverstand (2007) vind je knopjes van goud, een hemd met lange mouwen, een piepkleine zakdoek, een lange broek, een baret, een boer met pet, nog een pet, elders een hoed, maar nauwelijks schoeisel.
Als er al iets van stevig voetbekleedsel opduikt, is het altijd even schrikken. Opschrikken eigenlijk. Schoenen! zo schrok ik ook nu weer ergens halverwege pagina 30 op: "We stampen onze schoenen schoon". We staat voor vader en zoon. Mooi: zo samen, vader en zoon, stampend. Het heeft iets samenzweerderigs terwijl stampen tegelijk de kiem van iets virulents verraadt. Grof-sonore schoenen, besluit ik, en zwaar - vermits men met lichte slippers of pantoffels niet stampt..
" .. stap ik met vader tussen de aardappelplanten rond, / de blik gericht op bladeren en grond, / 'kolerabele kevers' in de mond, / vaders etymologie. // De kevers knagen haastig. 1954. Ik kan een beetje lezen. Vader doet de kevers in een papieren zakje waaruit hij zojuist zijn laatste sigaar heeft gehaald. Die heeft hij op de tuinmuur gelegd. // Sigaren koopt hij los, op zaterdag, nooit meer dan vijf. Bij sigarenmagazijn Van den Broek. Hofnar. Ernst Casimir. Schimmelpenninck. Ik spaar de bandjes. // Op de sigarenzakjes staat een rebus. Hij heeft me uitgelegd hoe je zo'n ding moet oplossen. Tekeningen worden letters. Uit het gat in de muur valt de t. Het paard wordt er 'naar' van. De den verliest een n(aald). Stieren veranderen in mieren, de geit stinkt naar gij. Uit de snelle luipaard kruipt een luiaard. // De rebus op het zakje waarin de coloradokevers verdwijnen, heb ik niet gelezen. De larven en de eitjes, die vader met een lucifer van de bladeren schraapt, gaan met de kevers mee. // Het is geen groot stuk tuin, en de plaag is te ovezien. Kort na de oorlog was het pas erg, zegt vader. Toen was jij één jaar. Hij maakt een vuurtje van wat kranten en droge takjes. Dan gooit hij het sigarenzakje in de vlammen. We stampen onze schoenen schoon op het tuinpad van cement en gaan onze handen wassen in de bijkeuken. Vader steekt een sigaar op." (29-30)
Merkwaardig genoeg zijn het tweede, derde en vierde paar, die (pas) in het allerlaatste gedicht opdagen, eveneens aanzienlijk van kaliber (zwaar zeg maar), zeker als je weet dat ze zich aan voeten van marathonlopers bevinden.
(..) Felix Carvajal, / St. Louis 1904, / verscheen aan de start in een hemd / met lange mouwen, lange broek, / zware wandelschoenen aan, / baret op het hoofd. / Iemand knipte / een stuk van zijn broek. / Hij eindigde als vierde. // Emil Zatopek, / de locomotief, / Helsinki 1952, / trainde op zware legerschoenen. // Zatopek zei het later zo, / na zijn overwinning: / 'Wanneer je wilt lopen, / loop dan een mijl. // Als je een ander leven / wilt ervaren, loop dan / een marathon.' // Maar Abebe Bikila, / die twee keer won, / Rome 1960, Tokio 1964, / trok zijn schoenen uit, / wierp ze weg en finishte blootsvoets (..) (91-92)
Enkel waar Wiel (eveneens in dat beduchte laatste gedicht) refereert aan Gerrit Kouwenaar krijgen we als tegengewicht voor al dat zwaars iets lichts - hoewel licht uiteraard relatief is / blijft / is:
de hardloper schudt het zand uit zijn schoen / terwijl hij het zand uit zijn schoen schudt. / Gerrit Kouwenaar (91)
Het blijft toch boeiend, nee: dat schoeiselgedoe?
(Wiel Kusters, Zielverstand, 2007)
Abonneren op:
Posts (Atom)


