Posts tonen met het label Guy Bleus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Guy Bleus. Alle posts tonen

01-09-2010

Soulier - 45 (Gloed)




© Guy Bleus



Gloed, las ik, en niet De kaarsen zijn tot op het stompje opgebrand, (152), zoals de Hongaarse titel aangeeft. Gloed dus, met in het achterhoofd de kernwoorden brood, vijgenblad en schoen (uitbreiding, jawel, daar was ik aan toe).

Het verhaal dat aanvangt met
"De generaal bleef die ochtend lang in de wijnkelder." en eindigt met "Maar zoals elke kus tussen twee mensen is ook deze kus een antwoord, een grotesk en teder antwoord op een vraag die met woorden niet uit te spreken is" maakt helaas geen melding van een vijgenblad (zelfs geen kleintje), wel van schaamte, tweemaal (107, 115). Dat is telbaar.

Ontelbaar zijn dan weer de herhalingen van de woorden (nood)lot, vriendschap, anders, geheim en schuld, ja, nogal wat schuld, waartussen slechts één concreet brood, een zompig brood, let wel.
"Die regen.. Het moeras dampt, de regen is warm. Alles is vochtig, het beddengoed, het ondergoed, de boeken, de tabak in het metalen doosje, het brood. Alles kleeft als stijfsel. Je zit in het huis, de Maleiers zingen" (70). De Maleiers zijn dan ook de enigen die in Gloed zingen.

Schoenen? Naast niet minder dan elf paar handschoenen (dat is nogal wat) schetst Márai inderdaad ook schoeisel, drie maal. Elf tegenover drie, zoveel handschoenen, wat zegt dat, vraag ik me af. De handschoen (dan toch) als een soort vijgenblad, de gesublimeerde schaamlap van de homo manualis? Verfijning boven steunvlak? Of misschien eerder versluiering?

Als schoeisel verschijnen alvast twee paar potige mannenschoenen, die Márai merkwaardig genoeg beide relateert aan gehoor: "Daarom laat ik hem los, laat hem als het ware terugvallen op de vloer als een loden poppetje, zijn schoenen raken de vloer met een klap", (122) en "Het vochtige gebladerte maakt nauwelijks geluid onder de zolen van je laarzen", (93). Twee sonore, viriele schoenen naast één sensitieve, frivole vrouwenschoen: "De danseres droeg een florentijnhoed met brede rand, witte gehaakte handschoenen opgetrokken tot haar ellebogen, een getailleerde roze zijden jurk en lage schoenen van zwarte zijde. Zelfs met haar slechte smaak was zij perfect. Ze wandelde met onzekere pasjes tussen de bomen op het grindpad, alsof elke stap op aarde die naar reële doelen in het leven, bijvoorbeeld een restaurant, leidde, haar voeten onwaardig was. Zoals het niet past om op de snaren van een stradivarius drinkliederen te fiedelen, zo zuinig was zij op haar voeten, deze meesterwerken, die als enige doel de dans hadden, het ontkrachten van de wetten van de aardse zwaartekracht", (46). Twee mannen- en één vrouwenschoen staat uiteraard op gelijke voet met de inhoud van Gloed: de vriendschap tussen twee mannen, beiden tot over de oren verliefd op (wat had je gedacht) één en dezelfde vrouw. 2+1=3, dat klopt alvast.

Dat Márai, of misschien liever de vertaalster, het woord drift hanteert in plaats van instinct, wist ik te appreciëren - instinct is des dieren, enkel drift is talig bewerkt. Wat mij dan weer (uitermate) verbaasde was dat de protagonisten tijdens hun omzeggens twaalf uur durende gesprek niet éénmaal het toilet bezochten. Faut le faire. Enfin.



(Sándor Márai, A gyertyák csonkig égnek / Gloed, vertaling Mari Alföldy, 2000)