turen, uur lang
dan een f’loep: f’loepperspectief zonder heftwordt vervangen door beeld van een boom,de appel van -bomen — p’ardafdeze ruil brengt (warempel) het hoofd in de warwaarom toch een appel en -bomen .. ?
waarom een Pink Lady .. ?
waarom, tiens, een boom met P- / ink Ladies die dromen .. ?
[S₂ S₂₃]
de uil in mijn hoofd is flatteus als een kool, inderdaad
maar waarom dat appel
dat de schilder van Frog with Umbrella maskeert,
die vermeende R. Appel-reactie .. ?
serviel sta ik stil bij de cirkel die rond is:
denk niet dat het hier om de twistappel gaat
of om Eva — een fabel
maskeert het tekort van de leemte, de crash
van de schuld
die niet-goed-en-niet-kwaad-is
maar sier, overbodig versiersel
[refr- / Heintje]
een zwijg en wees mooi, zoals Appel het zei
[h]ik, ik drink aan de toonbank — and sink
car je bois sur le zink
energie die me aankijkt:
extase is rij- / mloze schulden vertalen
in rijmloze schuld
✂
morte-saison
puis un v’lan: v’lan
des pensées sans poignée
remplacées par l’image d’un arbre,
la pomme des pommiers — p’atatras
cette relève (en vers blancs) met la tête à l’envers
ah, pourquoi des pommiers .. ?
ah, pourquoi une rein- / ette .. ?
tiens, pourquoi un pommier de reinettes é- / toi- / lées .. ?
[S₁ S₂]
oui, ma tête à l’envers, elle est chouette comme un chou
mais pourquoi cet appel
qui camoufle le peintre de Frog with Umbrella,
ladite réaction d’R. Appel .. ?
je me jette tête baissée dans ce cercle vicieux:
ne pense pas qu’il s’agit de la pomme de discorde,
ni d’Ève — un rêve
camoufle le trou de la faille, la faillite
de la dette
qui est entre-le-zist-et-le-zest,
un zizi
[ritourn- / elle]
un tais-toi et sois belle, comme disait K. Appel
moi, je bois sur le zinc — and i sink
want ik drink aan de toonbank
une vitalité qui me guette ..
la transe, c’est traduire des dettes blanches
en dette bl- / anche
27-04-2015
moi, je bois sur le zinc — and i sink / want ik drink aan de toonbank
22-04-2015
ô reine farce, ô phare d’eau ✂ o vorst- / in, natte haard
// gespin
dat rond- / borstig de welving, versneden
in deeltjes, bezingt
valse schijn
dus opnieuw [in die hoek van een uithoek]
// gesnurk
dat ontnuchterend werkt
en een droomflard maskeert
o vorst- / in, natte haard,
wie is wars zonder waard?
maar de voile zal het oor niet tot last zijn,
niet echt
draaierij
dus, opnieuw dus
// gemopper
dat aanvangt met rein: een verhaal zonder aal-
put of schei- / ding? niet denkbaar —
al dacht ik het wel
loze deur
die ons leidt naar de eelt
van een beeld zonder handvat
dat domweg mechanisch geduid wordt
als onzin
als afgond, bv.
nadien wordt de stilte een andere stilte
✂
// ronron
qui nous chante la rondeur de la courbe,
coupée en morceaux
faux-semblant
de nouveau [dans cet angle d’un coin]
// ronflement
flegmatique,
qui camoufle le rêve
reine farce, ô phare d’eau,
qu’est-ce qu’un dé sans défauts?
mais le voile ne sera un fardeau pour l’oreille,
pas vrai- / ment
faux-fuyant
de nouveau
// ronchonnement
qui commence par l’histoire sans toi-
lette, sans chi- / ottes? pas possible —
on tente l’impossible quand même
une fausse porte
qui nous mène à ce cal
d’une image sans manche
qui est machinale- / ment qualifiée
comme non-sens
comme abrîme, p. ex.
après, le silence est un autre silence
20-04-2015
afgond ✂ abrîme
2 delen, 2 onder-
verdeelde geslachten doen mee: ze vermengen?
het ene loopt leeg (paradigma), lekt uit
d.i. doorgaand
verkeer
voorovergebogen, met bochten — het bekken
lekt uit, wordt gedempt
met onthoofde gedachten
…
‘Johannes de Doper’, de uwe
…
‘Medusa’
…
temeer ‘Thomas More’, een verrader, dat zegt men
…
‘een hydromedusa is ZEKER geen kwal’
…
indertijd
wist het monstrum — ziehier onze draak,
onze draak met een lofzang — het bekken te mijden
[het at
platte koek van Ver- / kade
om NIET onbedekt te verdwijnen
in kwallententakels: ‘the frumious
bandersnatch’]
ook jij bent erbij,
de sigaar
platte koek werd uitsluitend gebeiteld door moeders:
een afgod als afgrond
✂
2 parts, 2 parties
génitales participent: elles se mêlent?
une s’écoule (paradigme), se vide
la fluidité
de la circulation
le bassin — des seins bas, mais sympas —
est vidé, est rempli
de pensées acéphales
…
‘Thomas More’, le dit traître
…
‘Méduse’
…
et essentielle- / ment votre ‘Jean le Baptiste’
…
‘une hydroméduse n’est POINT une méduse’
…
plus tôt
le mélo — nous voilà en mélo,
plein mélo — contournait le bassin
[loin du quai
il mangeait des galettes
pour ne PAS s’exposer aux des- / seins
des méduses: ‘the frumious
bandersnatch’]
toi aussi,
tu es cuit
ce n’étaient que des mères qui cuisaient des galettes:
des abris comme abîme
05-04-2015
28-11-2014
3 Arnolfini’s: J. Zwagerman (perzik), D. van Bastelaere (zonder ooft), ds (abri- / koos)
Jan van Eyck kon je mij niet geven
want Van Eyck gaf mij al aan jou.
De hond die wij niet hebben
kwispelt onze handen hier bijeen.
De kroonluchter is kleiner
dan mijn grote zwarte zware hoed.
In de niet-van-onze spiegel krimpen
wij frêle opgebold tot schildersoog.
Mijn schoeisel heb ik uitgetrapt.
In een klein gebaar hef ik mijn vrije hand.
Jij bent niet in verwachting
van het kind dat Jan van Eyck
ons overreikt. Het plooiend groen
spiegelt de naden in je ziel. Geen kunstenaar
die zo met onze hedendaagsheid speelt.
Doen wij hier thuis aan fruit?
Er liggen perziken vlak bij ons open raam.
Iemand heeft iets op de muur gezet.
Een tag, annonce, plaatsbepaling:
Jan van Eyck ziet ons doorluchtig
en doorzichtig spiegelbeeldend aan.
Ik ken mijn antecedenten niet. Jij
zult wel Beatrice zijn. Je bent vooral vrij.
(Joost Zwagerman, Voor alles, Gedichten, 2014, 49)
Jan van Eyck, Huwelijksportret van Giovanni Arnolfini en Giovanna Cenami
Jan Van Eyck,
De Arnolfini-bruiloft (1434)
Dirk van Bastelaere / Jan van Eyck
1
Ze cirkelen traag door de gotiek
Van de leegte. Een paar voor de tijden
De handen opeen.
Zijn hoed is een onding
Dat de dood niet belemmert en de val
Van de stoffen laat zijn lichaam vermeend.
Zo wil ik denken dat het toen al
Wegbleef en wellicht,
Geheel anoniem,
In een kerkvloer van hardsteen verviel.
2
Dit paar uit het elders,
Van perfectie verwezen,
Het zal bestaan
Door de man in het midden
Zich noemend Van Eyck
Bood hij zich aan als getuige.
Ook nu in die opstelling
Smokkelt hij zich de tijd uit;
De bolronde spiegel weet hem te bewaren.
Dat men kan zeggen, turend
Naar binnen : dank zij afzijdigheid
Zal hier zijn geweest
De spiegelman Dirk van Bastelaere.
(Dirk van Bastelaere, uit: Pornschlegel en andere gedichten, 1988)
[81,8 x 59,7 cm]
quelque chose se règle: het kost
abri- / kozen geen moeite
te veinzen (te veinzen?)
een j —
een wijdlopige j (dynamiek van het lid-
woord), de naam, zijn expansievermogen,
een acrobatiek in het — zegt u het maar — het bekende:
het ik en wat verder de ik-idealen,
kunstmatig begroot: j’apparais
au miroir, donc
j’existe?
c’est le voir dans pou- / voir, cher van Eyck?
wel, daar gaat het niet om, kaart u aan?
geen brokaat zonder goud? geen
gezwollen verschil in een cirkel gezet?
er werd rukwind voorspeld,
geen verschonende zakdoek, noch zalf —
le miroir susceptible de choir
tussen kwast en
geprangd tussen kwast en
een halfrode boksbal vertaalt haar gelaat
le mépris, die God- / ard (dat mag blijken) kopieerde,
in naaktscènes goot — B.B. bloot
c’est le ça dans sça- / voir?
slechts de spin die Bourgeois, die Louise (dat bleek
en terecht) al vermoedde, maman, is absente
of afwezig or gone
ou mangeons le produit, donc,
son voile est blanchi par des ans? terwijl
[opbiechtend] bloed door het bed wordt weerspiegeld?
Gi- / o- / vanna
Gi- / o- / vanni
dynamiek van de slash
en een oplichtend spel in dit kanselgedicht — er werd
rukwind voorspeld / en een vonk
die slechts vonkt als het avondrood blauw is:
le chien pavlovien,
sécrétion salivaire,
programmatisch gekwijl,
relatif à Pavlov (dat zou blijken), verbindt,
vangt het licht dat in glansrichting strijkt,
mijdt de wasbeer in wasco
die troont in de blik
hij kijkt op, zij [is sunblock,
haar hoofd staat nog los] eerder neer
hypotheses op poten,
hoe heet dat alweer? hij kijkt neer
met een scheefstand van ogen, gekamd
door de ronding, op iets, op een schim
die zij fris ondermijnt
werd de breintocht,
de bruintint van lichaam en -seigen besef
hier misleidend bedekt met een hoed
die [het lid- / woord] benadrukt?
de messing verlicht?
compenseert?
compenseerde?
de boksbal hangt stil,
quelque chose se règle —
des voeux aveuglants se succèdent
et choient
les souliers ne soulagent, passage
van ding, eromheen, naar object, à l’objet
fétichiste, eromheen, eender hoe,
is semantische inteelt (zo bleek,
in de twintigste eeuw)
reducerend duel met zichzelf
in een waaier essenties: de hand
— comme des gestes gesticulent! —
anorectisch geheven, zo
fijn dat de daadkracht verkleint, mais
le suc ne suffit, liet de blinde
met borsten (reeds eerder) verstaan
dan maar acrobatiek
van de handpalm, er rond,
eromheen, hand-in-hand-
fenomeen, eender hoe
c’est le voir dan sça- / voir?
kiekeboe?
zo
de uren p.m.
als het knagen blijft duren,
geen hoop [crystal meth]
maar het werkt,
al zo lang,
als confettigordijn
c’est pourtant la lumière
qui déborde, dépasse, à la fois
obscurcit l’abri-
cot [à côté de la vie]
(ds, ongepubliceerd)
27-11-2014
000000 0000 01
LA VIE: SONNET
000000 0000 01
011010 111 001
101011 101 001
110011 0011 01
000101 0001 01
010101 011 001
010111 001 001
010101 0001 01
01 01 01 0010 11
01 01 01 01 01 11
001 001 010 101
000 1 0 1 001 00 0
0 0 0 0 0 110 0 0 0 101
0 0 0 0 01 0 0 0 0 0 0
(klankgedicht, Jacques Roubaud)
25-11-2014
✽ all ✽ i ✽ want ✽ 's ✽ a ✽ good ✽ 5ç ✽ seegar ✽
© Jerome Rothenberg
heeheeHOHOheehee, the recording of the author
and his dutch translator Jan H. Mysjkin,
1986, Poetry International Festival, Rotterdam
24-11-2014
08-10-2014
Franciscus van assisië, een "banaan van zoete vergiffenis"
Lof-litanie van den H. Franciscus van assisië
Voor mijn vriend, in mijn leven:
poolnaad - schroef - avondangelus.
Franciscus die arm waart, bid voor mij. Mijn weekgeld sterft
reeds zondagavond in rozenblaadjes op mijn kamer.
Franciscus die dichter waart, bid voor mij die m'n lange jonge
lokken uitstreek tot harden helm van idealistischen weerstand.
Franciscus die jong waart, laat jeugd bij me blijven: Voedster
die oud nog dezelfde grapjes vertelt als toen we onmondig
waren. Laat ons dan even gul lachen - en niet uit medelij.
Franciscus die boomen en dieren en alles begreept, geeft dat
ik mijn vrienden en geliefden begrijp.
Franciscus die liefde genoeg had om niets te versmaden, open
mijn hart als tolvrije stadspoort voor alle vreugd en alle pijn.
Franciscus die den Kosmos in u droegt en hem doorkneedde
met den deesem van uw eigen begrijpen, geef mij het zuivere
inzicht
Franciscus die zoo warm om me zijt in avondlof als den
eersten beet in malsch versch brood, bid voor mij.
Franciscus in wiens leven plotse afgronden zijn van stilte, als
voor wie over koele keldermonden gaand den geur van riekende
appelen opstijgen voelt, maak mijn adem rustig en krachtig.
Franciscus in wiens leven bergen van licht zijn, zoo
heerlijkgloedwarm als den zoetroomigen geut van pastijbakkerij.
Franciscus wiens stem ik soms meen te hooren naief en
geduldig in den melopee-roep der dagbladventers, gij die roept
het Eeuwige Nieuws: de waarheid. Franciscus, eenige heilige
wiens beeld men ons niet gecamoufleerd heeft met schreeuw-
kleuren van flauwe romantiek,
bid voor mijn geliefden en mij.
Franciscus, man uit één stuk, ideaal van eerlijkheid, bescherm
ons die den scheldnaam dragen van idealisten omdat we
een volk willen worden.
Franciscus die voor ons staat met de harde blijnen van
zaligend werk, op uw ranke lichaam, geef ons den moed
voor werk.
Franciscus die de wereld ingerukt zijt, weg uit de oase der
verlauwing, met den wilden zegekreet van een sneltrein,
heerscher der diepten,
Franciscus, handgranaat van rechtvaardigheid, die sloegt
muren van schijneerlijkheid aan stuk, tot elke steen bloedde van
rood berouw.
Franciscus die de hoogmoedige zielen verbrijzelde tot
vernedering: maar de lage bloem is meer dan het hooge onkruid,
Franciscus die, wilde hengst van dartelheid, plots op hol
sloegt van ontzaggelijk verlangen naar de breede vlakte van
God,
bid voor ons allen die bekneld zitten in
banden van verknechting en minderwaardigheid.
Papaver van liefde in het egaal-geele veld der
onverschilligheid,
Zonnebloem van hartstocht in den tuin der sluipend-luie
ranken,
Roos van zoetheid midden scherp-zwoele geuren van violen,
Luide cello van hartstochtelijke extase,
Heimwee van smeltende teerheid,
zo zijt ge o Franciscus,
Gij, wiens beeld door soms dorre woestijnen van leven is als
kindergelach in mijn dood bureel - het rijt der donkerte van de
wanden.
Krachtige toren van jubel.
Als op lentefoor in lachpaleis van zaligheid, onstuimige
danser,
IJle klokkeklank die m'aanvaart op windewiek,
Nachtegaal en leeuwerik van lof,
Rechte heirweg,
Avondstraat,
Allerluidstluidende klok,
Banaan van zoete vergiffenis,
Bloedende geranium,
Nachtelijke vuurpijl,
Vlammenpyramide,
Zomermiddagzon,
Alte Weise van hemelheimwee,
Zee,
bid voor ons allen, die het geluk zoeken in rust,
Ik zag u,
een ijle spitsboog van magerheid uw lichaam,
een speldekussen van boete uw zingende borst,
een gloeikous van wit licht uw mager gelaat.
en
door koude woud van mijn jonge ziel, getoet plots als van
een romantische jachthoren,
door avondstraat van vrede, laaie suizen van rood-helle tram,
door mistig rotspad geweldig hoornen van postkoets,
door hunkervlakte van onbewustheid: mijn leven, uw leven
plots als een
tragisch rood-gestempelde expressbrief in een wit begijnhof,
maar simpel als een volkswijs, flinke Madelon- genot
voor duizenden
en simpel als kinderdans midden volksbuurt,
en simpel als sleebellen door sneevlakte,
zoo zijt ge O Franciscus
Maar bij smart,
uw oogen als plotse fanalen,
uw stem als autosireen,
naar den afgrond aller liefde toe, naar God, neem me mee,
lijk, los van de ree, gerukt wordt een schip,
een harde slag, een dappere baar,
weg van het strand,
naar het heerlijke land, van OVERZEE.
Heilige, groot-heilige Franciscus, hier zijn de morzels van
mijn hart, meer
heb ik niet - de woede honden van jeugd-dagen hebben alles
verslonden,
hier is de koelheid van mijn klamme haren,
hier is de zwakheid van mijn zwervende voeten,
hier is de ijdelheid van mijn praatgrage tong,
Ik breng u het ellendig beste dat ik heb,
de myrrhe van mijn woorden,
de wierook van mijn vereering,
en het armzalige goud van mijn liefde
Maar ook het beste dat mijn ziel gebouwd heeft draag ik u op.
de nagedachtenis van mijn vader,
de ernstige gestrengheid van mijn moeder,
de hunkerende weltschmerz van mijn broer,
het zoete zwijgen van mijn meisje,
en de heerlijk-weemoedige ironie van mijn vriend.
Franciscus voor U heb ik mijn mooiste woorden uitgezocht,
mijn schitterkralen, die uitspatten voor de bestofte moeheid
uwer voeten als koele zeepbellen, evene laving uwer gloedende
teenen.
Ik bid u verhoor mij Franciscus,
Gij die een wolf hebt getemd, help me de groote huilbende
van mijn hartstochten te temmen,
Gij die de zon bezongt, laat me mijn leven moduleeren op een
zachte rhythme van innigheid,
Gij die meer dan de kunst van sterven ook de kunst van leven
verstond,
laat me het leven loven, en den dood verwachten als een
roerlooze boom de bijl. Pal.
Franciscus die voor de visschen prediktet, laat me ook zingen
doelloos in de menschen
Gij die uw lijf beborduurdet met het fijne geduld der
geeseling geef mij mijn dagelijksche pijn,
Gij die U niet schaamdet naakt te staan, geef me den moed in
de naaktheid van mijn woord voor de Farizeërs dezer wereld te
treden,
Gij, die kerken gebouwd hebt en moeizaam elke steen zocht,
geeft me den moed uit de verveling der dagvrachten het gulden
huis van mijn rust te bouwen.
Geef me, Franciscus de gaaf des gebeds,
Mijn ziel is als een trillende vlieger, hunker naar wolken,
Weze uw aandenken de onontbeerlijke olie,
Weze uw steun de koenheid die het looping the loop
ondernemen doet,
Weze uw woord mijn veilige valscherm door luchtlagen van
laffe zoelheid,
Weze uw mond de bronzen klok van zekerheid. Op haar
betrouwen de
menschen om de luiken te sluiten op hun rust. Geef aan mijn
moeder lang leven,
Geef aan mijn broer rust,
Geeft aan mijn vriend kracht,
Geef aan mijn meisje alle geduld,
Geef me smart om van te zingen,
Geef me tranen van ontroering,
en - laat me vragen drie dingen - niet waar?
vooral en vooreerst - geef aan ons allen en geef aan mij, een
vaderland om te beminnen,
Geef, - en hier smeek ik u ‘de profundis’ van walg - dat de
menschen elkanders Vaderland leeren beminnen,
Laat de wereld worden een gansche vreugde van witten vrede
en algeheele communie, gelijk uw blije naakte lijf toen gij stierft.
O mijn vriend, mijn broer, mijn heilige vader. Franciscus.
Amen.
Oogst 1919
Marnix GIJSEN
(opgemerkt door Erik de Smedt in Grenzen van de avant-garde)
01-10-2014
geen banaan, hij bekent
© John Baldessari
ZWIJGPLICHT
Zit het beest, een dwingeland,
hen in het bloed? Pijnlijk
lopen, vliezen op de voet.
Tegenwind. De mond gepropt
met stekels uit de zuiderkant
van de bitterplant. Gebit snoerdicht
op slot gekrast: geen kaken te breken;
geen woordgeheimen prijs te geven.
(Gwy Mandelinck, Lotgenoten, 2014, 36)
Abonneren op:
Posts (Atom)






