30-07-2010

Soulier XXXIX (Der Sockel des Bildhauers)




© Axel Lieber, Der Sockel des Bildhauers, 2000, tweevoetsschoen

[met dank aan Jan Pollet, leverancier van dienst]
[eveneens dank aan eindredacteur Duits. Nicht sockel, jevski. Sockel]



De tento "Das Fundament der Kunst. Die Skulptur und ihr Sockel seit Auguste Rodin" in het Arp-museum in Rolandseck concentreert zich op de vraag waarom beelden op een voetstuk staan. Rodin deed tegen en was zo de eerste beeldhouwer die zijn werken sokkelloos op ooghoogte bracht. Nadien werd het voetstuk onderdeel van het beeld (Giacometti) of wisselden beeld en sokkel van rol (Ulrichs). Naast deze wir-drehen-gerne-um rest de vraag waarom beelden op een sokkel staan. Sommigen verwijzen naar het enigma van de verhevenheid van het beeld. Axel Lieber geeft aan dat het voetstuk het beeld en daarmee de beeldhouwer onbeweeglijk maakt. Et voilà: de tweevoetsschoen - wir lachen innerlich.

(der Ausstellung Das Fundament der Kunst. Die Skulptur und ihr Sockel seit Auguste Rodin. 25. Juni-24. Oktober 2010, im Arp Museum Bahnhof Rolandseck)


Always the mother XI (ouèt ouèt)




© Tom Liekens, Birds II, 2009, 205 cm x 155 cm


ouèt ouèt


Thé à la menthe pour la mante, s'il vous plait.

[voor Tom Liekens]


les oiseaux voulaient
ls sx vlnt

niet even doen
alsof ze [van doen]

les oiseaux savaient
ls sx svnt

dorst ze
dan dorst ze

les oiseaux ne peuvent
ls sx n pvnt [APPELER AU SECOURS]



29-07-2010

Soulier XXXVIII (Tom Liekens)




© Tom Liekens, Winnetou 2010, 210 cm x 300 cm


Ze hebben me weer (het wordt een gewoonte) moeten ontzetten. "Zes uur", zei de vrouw, tikkend op haar uurwerk, "we sluiten". Musea, ik zou er kunnen wonen. Zo ook in de betonnen expositiehal van de Warande, waar momenteel Tom Liekens hangt. Tom maalt niet om schoen en rubberzool, dat had ik al snel door. Tom maalt om dieren - en dieren dragen nu eenmaal geen boots of sandalen. Dieren dus. Geen Liekens zonder hond, aap of leeuw, of toch: één (in de reeks camouflage). Uitzonderingen bevestigen schijnbaar zelfs de Liekensregel. Gelukkig maar.

Vreemd om zien, al die monumentale doeken vol beesten, wezens die per definitie buiten de taal staan en hun doden niet begraven. Liekens hokt hen op, slacht hen af, bijt hen (met behulp van een gelaarsde! vrouw) dood of poot hen als dei ex machina kladaradatsch op het doek - wat staat die daar nu te doen, denk je dan, helemaal uit je lood. De dieren zelf zijn geagiteerd, verschrikt, weten het niet of 'staan erbij en kijken ernaar' - desolaat is een passend predikaat.

Op de recente manshoge zelfportretten (selfportraits as artiste maudit) keert de rust voor de dieren weer en verschijnen ze ongeketend, ongedeerd - hoewel ook zielige honden met grote hondenogen (het moet gezegd) druipen van plaag. "Sedert mijn verblijf in Berlijn voel ik me vrij", lees ik Liekens zeggen, "er is niemand die over de schouders meekijkt". Misschien is dat wel de reden waarom hijzelf op meerdere zelfportretten blootsvoets verschijnt. Waarom hij eenmaal zelfs, gezeten aan een vuurtje en gehuld in een deken, zijn uitgeleefde bottinnen opzichtig naast zich plaatst. Ha!

Uiteraard is er meer. Meer, dat bevreemdt. Zo heb ik het graag.



© Tom Liekens, Selfportrait as Artiste Maudit, 2010, 210 cm x 300 cm

(Menschen, Tiere, Sensationen van Tom Liekens nog tot 01.08.2010 in de Warande te Turnhout. Haast en spoed dus)


27-07-2010

Soulier XXXVI (ander- & mijnmans)




© Pedro Barbeito


Hoe zal hij het gevoel van aanraking zitvlak-stoel omschrijven. Hoe zij.


Hier &

andermans vlag, lip, schoen (wat
doet er niet toe

zolang het maar
gescheiden). Daar &

mijnmans wat-nog-meer (Wat
Nog Meer) dan de scheidslijn

die we slof
slof delen.


26-07-2010

Malkander XXXX (Sol gruis)




© Jo Baer


Een vrouw zingt in sol gruis: "Nothing will be"


Hem. En de hele wereld. In pek en veren nog witter. Een deurpost. Interne 1. [vanuit de tenen kruipt het hoog]

- Voor twaalven (eervorig): een zong. Een winnende hand [getemd de castagnetten]. Een witte droom, 1 rustpauze later.

Een golf, rode horten en stoom. Besmettelijk de passen. Dertig acht. En niets na de komma: vlekken in de hals. [de mond in stukken]

Haar. En de hele wereld. Ze houdt de kraag dicht, schraapt. Interne 2. "Ik ben hier" [sol gruis]. Hoogmoed die zichzelf voedt

is het niet.


24-07-2010

(on)zichtbare man




© Keith Tyson


'Papier bijvoorbeeld / is gemaakt van doorzichtige / vezels en is alleen maar wit en on- / doorzichtig / om dezelfde reden / dat glaspoeder wit en ondoor- / zichtig is: // olie het papier, vul de poriën / tussen de vezels met olie, / zodat er geen breking of weerkaatsing / meer is, behalve aan de oppervlakte, // en het wordt doorzichtig als glas. // En niet alleen papier, maar / katoenvezels, / linnenvezels, / wolvezels, / houtvezels, / en been, / Kemp, / vlees, / Kemp, / haar, / Kemp, / nagels en zenuwen, / Kemp, // alles waaruit een mens / is samengesteld, / behalve de rode delen / van zijn bloed / en het donkere haar- / pigment, / is gemaakt van / doorzichtig stof. // Zo weinig is genoeg / om ons voor elkaar / zichtbaar te maken.' // (in memoriam Jo Peters)

(Wiel Kusters, Onzichtbare man, uit: Zielverstand, 2007, 34-35)


22-07-2010

Soulier XXXV (de hardloper schudt het zand uit zijn schoen, terwijl hij het zand uit zijn schoen schudt)




© Bjorn Melhus


De schrijvers en dichters, die ik sedert mijn bevlieging onder de loep neem, strooien niet echt (het moet gezegd) met schoeisel. Wiel Kusters evenmin. In zijn laatste bundel Zielverstand (2007) vind je knopjes van goud, een hemd met lange mouwen, een piepkleine zakdoek, een lange broek, een baret, een boer met pet, nog een pet, elders een hoed, maar nauwelijks schoeisel.

Als er al iets van stevig voetbekleedsel opduikt, is het altijd even schrikken. Opschrikken eigenlijk. Schoenen! zo schrok ik ook nu weer ergens halverwege pagina 30 op: "We stampen onze schoenen schoon". We staat voor vader en zoon. Mooi: zo samen, vader en zoon, stampend. Het heeft iets samenzweerderigs terwijl stampen tegelijk de kiem van iets virulents verraadt. Grof-sonore schoenen, besluit ik, en zwaar - vermits men met lichte slippers of pantoffels niet stampt..

" .. stap ik met vader tussen de aardappelplanten rond, / de blik gericht op bladeren en grond, / 'kolerabele kevers' in de mond, / vaders etymologie. // De kevers knagen haastig. 1954. Ik kan een beetje lezen. Vader doet de kevers in een papieren zakje waaruit hij zojuist zijn laatste sigaar heeft gehaald. Die heeft hij op de tuinmuur gelegd. // Sigaren koopt hij los, op zaterdag, nooit meer dan vijf. Bij sigarenmagazijn Van den Broek. Hofnar. Ernst Casimir. Schimmelpenninck. Ik spaar de bandjes. // Op de sigarenzakjes staat een rebus. Hij heeft me uitgelegd hoe je zo'n ding moet oplossen. Tekeningen worden letters. Uit het gat in de muur valt de t. Het paard wordt er 'naar' van. De den verliest een n(aald). Stieren veranderen in mieren, de geit stinkt naar gij. Uit de snelle luipaard kruipt een luiaard. // De rebus op het zakje waarin de coloradokevers verdwijnen, heb ik niet gelezen. De larven en de eitjes, die vader met een lucifer van de bladeren schraapt, gaan met de kevers mee. // Het is geen groot stuk tuin, en de plaag is te ovezien. Kort na de oorlog was het pas erg, zegt vader. Toen was jij één jaar. Hij maakt een vuurtje van wat kranten en droge takjes. Dan gooit hij het sigarenzakje in de vlammen. We stampen onze schoenen schoon op het tuinpad van cement en gaan onze handen wassen in de bijkeuken. Vader steekt een sigaar op." (29-30)

Merkwaardig genoeg zijn het tweede, derde en vierde paar, die (pas) in het allerlaatste gedicht opdagen, eveneens aanzienlijk van kaliber (zwaar zeg maar), zeker als je weet dat ze zich aan voeten van marathonlopers bevinden.

(..) Felix Carvajal, / St. Louis 1904, / verscheen aan de start in een hemd / met lange mouwen, lange broek, / zware wandelschoenen aan, / baret op het hoofd. / Iemand knipte / een stuk van zijn broek. / Hij eindigde als vierde. // Emil Zatopek, / de locomotief, / Helsinki 1952, / trainde op zware legerschoenen. // Zatopek zei het later zo, / na zijn overwinning: / 'Wanneer je wilt lopen, / loop dan een mijl. // Als je een ander leven / wilt ervaren, loop dan / een marathon.' // Maar Abebe Bikila, / die twee keer won, / Rome 1960, Tokio 1964, / trok zijn schoenen uit, / wierp ze weg en finishte blootsvoets (..) (91-92)


Enkel waar Wiel (eveneens in dat beduchte laatste gedicht) refereert aan Gerrit Kouwenaar krijgen we als tegengewicht voor al dat zwaars iets lichts - hoewel licht uiteraard relatief is / blijft / is:

de hardloper schudt het zand uit zijn schoen / terwijl hij het zand uit zijn schoen schudt. / Gerrit Kouwenaar (91)


Het blijft toch boeiend, nee: dat schoeiselgedoe?

(Wiel Kusters, Zielverstand, 2007)