skip to main |
skip to sidebar
une banane parce qu'on n'a d'autre choix —
dat is niet wat G.B. van zijn thuis denkt
zijn thuis kent meloen en, natuurlijk, de appel
de fruitkorf is halvelings leeg
of het ligt aan de vorm:
la bouche à l'envers
Lichaam en geest (Standard)
Al jaren zet ik alles op mijn hoofd
losgeld
opgeslagen om te verzilveren
wat zich niet door spierkracht
laat losweken, loswrikken
uit de nevel van het brein
Een zekere veronachtzaming
is het gevolg
een soort van schisma
van mijzelf in duizend nesten
gewerkt en daar blijven hangen
Zullen we er een appel op zetten
een doelwit vol van vitaal vlees
en zuigend vermogen
een hoedje
niet langer van papier
Heel lang al speelt dit alles
door mijn hoofd
ik laat het eruit nu
en loop naar huis
De weg ligt open
(Geert Buelens, Thuis, 2014, 61)
 |
| © Julius Hofmann |
Getjilp, stil getjilp voor de tijd
van het jaar, maar vandaag wordt het ochtend,
smelt kilte. De mist die aan daver
voorafgaat trekt op en d—
Daar wordt op last van de klieren
een climax besteld, hij bewapent
(geen wapen van piepschuim) zichzelf
als vanzelf, in een warme verkleuring.
Een kern wil getroffen, een vorm
van exces met een aantal reflexen.
Haar hand, onverschillig maar warm,
kent de knepen, zij kliert niet, bestelt niets,
maar rekent (deliriumvrij) op de vraag
van beton: wat verkommert als niets nog
bekommert? Het zachte geslacht
is verslaafd aan constructies, wil praten
(een vorm van exces), een piraat
met beperking, een wending op Holly-
woodtoon: I love you. Maar geen borst
of ze snoert hem de mond, hij mengt
dierlijke zin, plukjes vacht met
in nomine patris, bepaalt hoeveel mond
te veel tong is — dat staat (constatering)
te boek, à propos. De gehoorbuis
wordt buis, zelfs het proeven (een proef-
ondervindelijk woord) een Houdini,
in vivo. Haar wil, willekeurig
gekleurd, dimpt de diepte als balling,
verzwaart de posities: geen koorts
onder rokken vandaan zonder stier
in een stem die gericht is. Hij opent
de buik van zijn trom (ook een vorm
van beperking): getjilp, zwaar getjilp
voor een ochtend met polsslag
als norm
 |
| © Do Hoang Tuong |
De maakbare zingt
en verslikt zich wat graag —
wat de slokdarm vermoedt,
ondergaat.
[Affirmatie met voorwoord,
want wat geeft de doorslag?
De schijn, definieerbare
schijn — zo zou blijken.]
De maakbare zingt
met een stem die gelinkt is
aan kwalificatie en allen
gelijk voor de wet
van het cijfer dat weg-
wijzers zet — een discretie
die maat suggereert
(alsof maat nog bestaat)
zweept het zwerk op, het koor:
'Hoe het hoofd als gesloten
systeem, nu eens zenuw
en -pees dan confectie,
de denktrant (met dagrest)
versterkt.' Hoe de maakbare
denkt in een andere taal,
in een kleur die verzwijgt,
die het grijs (enkel grijs
is rechtlijnig) bezingt,
zelfs in tinten, geen feest
halverwege, geen paard
in de gang, wel de stap
die de hinde ontregelt,
gewicht van de diepte
verzegelt met zalf.
[Affirmatie met nawoord:
al dromend verminkt hij,
met bijval, de hand
die hem voedt, hem de maakbare
noemde — het nachtdier
komt om, een cesuur
van censuur (geruststellend),
routine
retour]
 |
| © Jacqueline Bradley |
Toen je mij, ik die jaartellend was
of wou zijn, in de ban hield, bestond ik
als beeld dat je voorhield, ik ben —
ik ben niet dan een deel dat ontbreekt,
een tekort dat je voelt maar niet aanraakt.
Toen jij (je was aarding, de blik
die me richtte) vergat hoe de hond
op je tong me ontging, hoe een beeld
zonder beeldspraak zijn spankracht verliest,
werd het kil. Dit weerspiegelt Spinoza,
bedacht ik (recent), of zijn denkbeeld:
'Een mens is pas vrij als hij weet
wat hem determineert, of verjaagt.'
En ik aarzel als jij, als jouw beeld
als een land zonder landschap verschijnt;
ongewijzigd mijn nadorst, onwrikbaar
het lood in je stem, nu je dood bent
of weg. Ik, de spiegel, weerkaats,
kan niet zien, draai in cirkels: mezelf.
Een verlies (maar begrijp niet te snel)
maakt me blind; waar het licht me niet najaagt,
niet inbedt in beelden, gaapt leegte
en drift, nauw verwant met sensibele
beesten, ik ben — ik ben niet
dan het woord dat ik zoek
voor jouw aarding, de nadorst, het hoe
van waarom, het omdat van een deel
dat ontbreekt. Ik verzoek,
ik genees niet
van beelden.
 |
| © Grzegorz Przyborek |
BANANE
Banane, yes, Banane:
Vie mediterranée,
Bartwichse, Lappentrane:
Vie Pol, Sargassosee:
Dreck, Hündinnen, Schakale
Geschlechtstrieb im Gesicht
und aasblau das Finale -
der Bagno läßt uns nicht.
Die großen Götter Panne,
defekt der Mythenflor,
die Machmeds und Johanne
speicheln aus Eignem vor,
der alten Samenbarden
Begattungsclownerie,
das Sago der Milliarden,
der Nil von Hedonie.
Nachts wahllos zwischen Horden
verschluckt der Zeugungsakt,
Gestirne? wo? geworden!
gewuchert! fleischlich Fakt!
Gestirne? wo? im Schweigen
eines Wechsels von Fernher -
Zyklen, Kreisen der Reigen,
Bedürfniswiederkehr.
Sinnlose Existenzen:
dreißig Millionen die Pest,
und die andern Pestilenzen
lecken am Rest,
Hochdruck! unter die Brause!
in Pferdemist und Spelt
beerdige zu Hause -
das ist das Antlitz der Welt!
Hauch von Schaufeln und Feuer
ist die Blume des Weins,
Hungerratten und Geier
sind die Lilien des Seins,
Erde birst sich zu Kreuzen,
Flußbett und Meere fällt,
sinnlose Phallen schneuzen
sich ins Antlitz der Welt.
Ewig endlose Züge
vor dem sinkenden Blick,
weite Wogen, Flüge –
wohin – zurück
in die dämmernden Rufe,
an den Schierling: Vollbracht,
umflorte Stufe
zur Urne der Nacht.
(Gottfried Benn, Gedichte)
 |
| © Lucio Fontana |
BANAAN
Banaan, yes, banaan:
vie méditerranée,
knevelwas, lappentraan:
vie polaire, Sargassozee:
drek, teven, jakhalzen
geslachtsdrift in 't gezicht
en aasblauw de finale
den bagno verlaat ons niet.
De grote goden storing,
de mythenkrans kapot,
de Machmeds en Johannen
kwijlen eigen speeksel op,
de oude zaadbarden
coïtusclownerie,
de sago van miljarden,
de Nijl van hedonie.
's Nachts blindelings tussen horden
verzwelgt de paringsdaad,
sterren? waar? geworden!
gewoekerd! vlees paraat!
sterren? waar? in het zwijgen
van verandering van verre —
cycli, cirkelen van reien,
behoeftewederkeer.
Zinloze existenties:
dertig miljoen de pest,
en de andere pestilenties
likken aan de rest,
hoogspanning! onder de douche!
in paardenmest en spelt
begraaf in eigen huis —
het gelaat van het wereldbestel!
Geur van graven en hitte
is het boeket van de wijn,
hongerratten en gieren
zijn de lelies van het zijn,
aarde barst in kruisen,
bedding en zeeën schaadt,
zinloze fallussen snuiten
zich in de wereld haar gelaat.
Eeuwig eindeloze tochten
voor de zinkende blik,
brede baren, vluchten —
waarheen — terug
in de flauwe kreten,
bij de scheerling: volbracht,
omfloerste trede
naar de urn van de nacht.
(vert. Dominique Stoffelen)
Andy Harlot Andy
Von einem bestimmten Augenblick an
hört man auf, nur eine Banane
zu essen. Er ist Jean Harlow in
Verkleidung und sieht so scheu
aus, wenn die Seide raschelt. Die
Bedeutungen wechseln ständig hin
und her. (Einmal ist es eine Bana-
ne, einmal nicht!) Mein Leben ist
auf einmal um eine Idee kürzer
geworden, sagt er und zittert mit
den schwarzen Augenwimpern auf
derselben Stelle. Es folgt eine
andere Banane. Er zieht ihr mit
Bedacht die Schale ab und lutscht
sie auf. Die Bedeutungen wechseln
ständig. Er sagt: was wir sehen, ist
nicht das, was wir sehen und fängt
von vorne an. (Einmal ist es eine
Banane, einmal nicht!) Und auf dem
selben alten Sofa wie vorher sitzt
Jean Harlow in Verkleidung. Sie möch-
te endlich kommen, kann es aber nicht.
Sie muß zum Schluß erst noch eine Ba-
nane essen, die sie nicht mehr finden kann.
(Rolf Dieter Brinkmann, in: Godzilla, Köln 1968)
(vgl. film Andy Warhol, Harlot, 1964)
Andy Harlot Andy
Vanaf een gegeven moment
hou je op slechts een banaan
te eten. Hij is Jean Harlow in
travestie en ziet er zo verlegen
uit wanneer de zijde ruist. De
betekenissen wisselen voortdurend over
en weer. (Nu eens is het een ba-
naan, dan weer niet!) Mijn leven is
ineens met een idee verkort
zegt hij en trilt met
zijn zwarte wimpers op
dezelfde plek. Er volgt een
andere banaan. Hij ontdoet haar
bedachtzaam van de schil en zuigt
erop. De betekenissen wisselen
voortdurend. Hij zegt: wat we zien, is
niet wat we zien en begint
van voren af aan. (Nu eens is het een
banaan, dan weer niet!) En op de-
zelfde oude sofa als ervoor zit
Jean Harlow in travestie. Ze zou
eindelijk willen komen maar kan het niet.
Ze moet tot slot eerst nog een ba-
naan eten die ze niet meer kan vinden.
(vert. Erik de Smedt)
 |
| © Federico Chiesa |
Voller Apfel, Birne und Banane,
Stachelbeere... Alles dieses spricht
Tod und Leben in den Mund... Ich ahne...
Lest es einem Kind vom Angesicht,
wenn es sie erschmeckt. Dies kommt von weit.
Wird euch langsam namenlos im Munde?
Wo sonst Worte waren, fließen Funde,
aus dem Fruchtfleisch überrascht befreit.
Wagt zu sagen, was ihr Apfel nennt.
Diese Süße, die sich erst verdichtet,
um, im Schmecken leise aufgerichtet,
klar zu werden, wach und transparent,
doppeldeutig, sonnig, erdig, hiesig –:
O Erfahrung, Fühlung, Freude –, riesig!
(Rilke, Die Sonette an Orpheus, sonnet I, 13)
 |
| © Sigurdur Gudmundsson |
Rilke wel ja, Rilke wel, maar de vertaling van W. Blok en C.O. Jellema censureert die banaan
XIII
Volle appel, abrikoos en perzik,
sap en vlees van vruchten... Al dit zingt
dood en leven in de mond... Wat weet ik...
Lees het uit de ogen van een kind,
als het proeft. Van verre komt die smaak.
Gaan hun namen over tot ontbinding?
Waar eerst woorden waren, vloeit een vinding,
uit het vruchtvlees onverwacht ontwaakt.
Wat een appel is, zeg het omzichtig...
Deze zoetheid, die zich eerst verdicht,
om in ‘t proeven stilaan opgericht,
waar te worden, wakker en doorzichtig,
dubbelzinnig, zonnig, aards, eenmalig –:
O ervaring, voeling, vreugde –, zalig!
Rainer Maria Rilke, De elegieën van Duino & De sonnetten aan Orpheus
vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door W. Blok, W. Bronzwaer en C.O. Jellema, Ambo, Baarn 1996
(met dank aan Erik de Smedt)